Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
15-07-2011
Zaaknummer
09/2990 WWB + 10/2386 WWB + 10/2388 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, door geen of onvoldoende gebruik te maken van de hem aangeboden voorziening, de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting niet is nagekomen. Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/254
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2990 WWB

10/2386 WWB

10/2388 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 april 2009, 08/6932 (hierna: aangevallen uitspraak I) en 17 maart 2010, 09/1158 en 09/1163 (hierna: aangevallen uitspraak II),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E. Tamas, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 mei 2011. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

09/2990 WWB (maatregel)

1.1. Appellant ontving sinds 30 augustus 2002 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Vanaf eind 2006 heeft het College geprobeerd om appellant in een traject naar werk te begeleiden, echter zonder succes, onder meer doordat appellant regelmatig, zonder bericht van verhindering, niet verscheen op afspraken. Op 19 december 2007 heeft appellant een medisch-arbeidskundig onderzoek ondergaan waarbij hij volledig arbeidsgeschikt is bevonden. Wel wordt aangetekend dat appellant een verstoord slaap- en waakritme heeft. Daarbij wordt geadviseerd om de aanvangstijden van het werk aan te passen in die zin dat hij pas na 12.00 uur kan beginnen. Ook in de maanden na het onderzoek heeft appellant echter geen gevolg gegeven aan de uitnodigingen van zijn bijstandsconsulent om op gesprek te komen in verband met de hem aangeboden voorziening. Appellant is voorts zonder bericht van verhindering vanaf de tweede werkdag, 29 januari 2008, weggebleven bij het Work First project van BIG in Voorschoten.

1.3. Bij besluit van 6 maart 2008 heeft het College aan appellant een maatregel opgelegd wegens het niet voldoende gebruik maken van een door het College aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. De maatregel behelst een verlaging van de bijstand met 40% over de periode van 8 februari 2008 tot 8 maart 2008. Bij besluit van 12 maart 2008 heeft het College de eerder opgelegde maatregel verlengd met één maand voor de periode van 8 maart 2008 tot 8 april 2008. Bij besluit van 18 april 2008 heeft het College de eerder opgelegde maatregel andermaal verlengd voor de periode van 8 april 2008 tot 8 mei 2008.

1.4. Bij besluit van 29 augustus 2008 heeft het College de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 6 maart 2008, 12 maart 2008 en 18 april 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak I heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 29 augustus 2008 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank staat in voldoende mate vast dat appellant heeft volhard in maatregelwaardige gedragingen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant keer op keer geen gevolg heeft gegeven aan een oproep van zijn consulent om op gesprek te komen in verband met de beoordeling van zijn bijstandsuitkeringen en dat hij zonder bericht van verhindering niet verschenen is bij Work First.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij ernstig depressief is met kenmerken van manische depressiviteit. Hij slaapt vrijwel niet, verwaarloost zijn leefomgeving en gebruikt drugs, waardoor sociale activering en/of arbeidsinschakeling niet mogelijk is.

10/2386 en 10/2388 WWB (intrekking/terugvordering)

4.1. Naar aanleiding van twijfels omtrent de woonsituatie van appellant heeft de Sociale Recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De twijfels omtrent de woonsituatie zijn ontstaan doordat appellant zelden of nooit zelf contact opneemt met de consulente van de gemeente als hij niet op oproepen kan verschijnen. Volgens de moeder van appellant komt dit omdat hij depressief is. In het rapport van 21 april 2008 wordt het aannemelijk geacht dat appellant gedurende ruim drie jaren onjuiste informatie aan de sociale dienst van de gemeente heeft verstrekt omdat hij niet woonde op het door hem opgegeven adres, [adres 1] te [gemeente].

4.2. Bij besluit van 30 mei 2008 heeft het College de bijstand van appellant ingetrokken over de periode van 28 juni 2005 tot 11 april 2008. Bij besluit van 11 juli 2008 heeft het College een bedrag van € 9.453,98 aan gemaakte kosten van bijstand over de periode van 28 juni 2005 tot en met 31 december 2005 van appellant teruggevorderd. Bij drie afzonderlijke besluiten van diezelfde datum heeft het College een bedrag van € 12.334,03 teruggevorderd over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006, een bedrag van € 10.065,94 aan gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2007 tot en met 6 mei 2007 en van 13 augustus 2007 tot en met 31 december 2007 alsmede een bedrag van € 2.339,19 netto over de periode van 1 januari 2008 tot en met

10 april 2008.

4.3. Op 29 juli 2008 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend tegen de vier terugvorderingsbesluiten van 11 juli 2008. Appellant stelt dat voor de terugvordering van de bedragen in deze besluiten de grondslag ontbreekt. Als reden daarvoor geeft hij aan het intrekkingsbesluit van 30 mei 2008 niet te hebben ontvangen. Aangezien het intrekkingsbesluit niet op een door de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, mist het derhalve de beoogde rechtsgevolgen, aldus appellant.

4.4. Bij besluit van 6 januari 2009 heeft het College de bezwaren van appellant tegen de vier besluiten van 11 juli 2008 ongegrond verklaard.

5. Bij de aangevallen uitspraak II heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 6 januari 2009 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen met betrekking tot het intrekkingsbesluit van 30 mei 2008, waarbij appellant is aangeduid als eiser en het College als verweerder:

“Eiser ontkent het intrekkingsbesluit van 30 mei 2008 destijds te hebben ontvangen. Verweerder heeft dit besluit niet aangetekend of met bericht van ontvangst verzonden. Ook overigens is door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat, en zo ja op welke datum, het besluit aan eiser is verzonden. Vast staat dat eiser in ieder geval bij de ontvangst van de terugvorderingsbesluiten op 11 juli 2008 kennis heeft genomen van voormeld besluit. Daarbij is de inhoud van het intrekkingsbesluit vrijwel geheel weergegeven in de terugvorderingsbesluiten. Hierdoor is het besluit aan eiser op 11 juli 2008 bekendgemaakt, zij het niet op de voorgeschreven wijze als bedoeld in artikel 3:41 Awb. Dit heeft tot gevolg dat de bezwaartermijn van zes weken pas een aanvang heeft genomen op 12 juli 2008 (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 januari 2009, LJN: BH0086). Eiser heeft vervolgens op 29 juli 2008 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar richt zich blijkens de inhoud van het bezwaarschrift echter alleen tegen de terugvorderingsbesluiten van 11 juli 2008 en niet tegen het intrekkingsbesluit. Laatstgenoemd besluit staat hierdoor in rechte vast.”

Nu het intrekkingsbesluit rechtens onaantastbaar is geworden, staat volgens de rechtbank vast dat appellant over de periode van 28 juni 2005 tot en met 10 april 2008 ten onrechte een bijstandsuitkering heeft ontvangen, zodat het College bevoegd was over te gaan tot terugvordering.

6. Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat er dringende redenen en/of bijzondere omstandigheden zijn om van terugvordering af te zien en dat de terugvorderingsperiode beperkt moet worden tot zes maanden te rekenen vanaf maart 2007. Dit is de maand waarin appellant en zijn moeder een aanvraag voor woningruil hebben gedaan. Dit had door het College als signaal moeten worden gezien voor mogelijke onrechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand.

7. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Daarbij zal hij eerst de intrekking en terugvordering bespreken.

Intrekking en terugvordering

7.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad is de enkele omstandigheid dat het bestaan van een intrekkingsbesluit uit het terugvorderingsbesluit kan worden afgeleid, als regel niet voldoende om bekendmaking aan te nemen. Het voorliggende geval is echter in zoverre bijzonder dat de terugvorderingsbesluiten van 11 juli 2008 een exacte weergave bevatten van het intrekkingsbesluit: “Op 30 mei 2008 is besloten het recht op bijstand over het tijdvak van 28 juni 2005 tot 11 april 2008 in te trekken omdat u in deze periode niet woonde op het door u opgegeven adres bij de gemeente. Als gevolg van deze intrekking heeft u teveel bijstand ontvangen.” Nu de inhoud van het intrekkingsbesluit letterlijk is weergegeven in de terugvorderingsbesluiten is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het intrekkingsbesluit, dat op 30 mei 2008 niet aangetekend aan appellant is verzonden, in ieder geval op 11 juli 2008 bekend is gemaakt aan appellant. Aangezien appellant daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, is het besluit van 30 mei 2008 in rechte onaantastbaar geworden.

7.2. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat het College bevoegd was om de in die periode gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen.

7.3. De Raad stelt vast dat de in geding zijnde periode van terugvordering nog de periode van 28 juni 2005 tot en met 31 december 2006 betreft. Bij brief van 3 december 2009 heeft appellant immers de beroepen tegen de terugvorderingsbesluiten van 11 juli 2008 met betrekking tot de perioden van 1 januari 2007 tot en met 6 mei 2007, van 13 augustus 2007 tot en met 31 december 2007 en van 1 januari 2008 tot en met 10 april 2008 ingetrokken.

7.4. Appellant heeft een beroep gedaan op dringende redenen en/of bijzondere omstandigheden om van terugvordering af te zien. Indien sprake is van een dringende reden is het College bevoegd ingevolge artikel 3 van de gehanteerde Beleidsregels geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak kunnen dringende redenen om van terugvordering af te zien slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de sociale en/of financiële gevolgen die, gegeven de zich in een bepaald individueel geval voordoende omstandigheden, de terugvordering voor de appellant heeft. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de hiervoor vermelde hoofdregel gerechtvaardigd zijn.

7.5. Appellant heeft als dringende redenen genoemd zijn drugsverslaving en psychische problematiek. Concrete objectieve gegevens ter onderbouwing daarvan zijn evenwel niet in het geding gebracht. Van dringende redenen als bedoeld in de beleidsregels van het College is de Raad derhalve niet gebleken.

7.6. Appellant heeft in het kader van bijzondere omstandigheden een beroep gedaan op de zogeheten zesmaanden-jurisprudentie. Deze jurisprudentie houdt in dat de bevoegdheid van een bestuursorgaan om onverschuldigd betaalde uitkeringen terug te vorderen in de tijd wordt beperkt indien niet adequaat wordt gereageerd op signalen van een betrokkene waaruit kan worden afgeleid dat te veel of ten onrechte uitkering wordt verstrekt. Onder een signaal dient in dit verband te worden verstaan relevante informatie van de belanghebbende, waaruit concreet kan worden afgeleid dat sprake is van een fout op grond waarvan het bestuursorgaan actie dient te ondernemen. Na een dergelijk signaal heeft het bestuursorgaan nog zes maanden om tot actie over te gaan. Over de periode gelegen na die zes maanden kan dan geen gebruik meer worden gemaakt van de bevoegdheid tot terugvorderen zonder in strijd te komen met het zorgvuldigheidsbeginsel.

7.7. Naar het oordeel van de Raad kan, anders dan appellant betoogt, de toestemming voor woningruil waar zijn moeder in maart 2007 bij Den Haag Wonen om heeft verzocht niet worden aangemerkt als een concreet signaal in de onder 7.6 vermelde zin. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de wens tot woningruil kenbaar is gemaakt aan een woningbouwvereniging, en dus niet aan het College dat belast is met de uitvoering van de WWB.

Maatregel

7.8. Gelet op het hiervoor onder 7.1 door de Raad gegeven oordeel over de intrekking tot en met 10 april 2008 behoeven de maatregelen voor zover betrekking hebbend op de periode tot 11 april 2008 geen bespreking meer. De Raad zal zich daarom beperken tot een beoordeling van de maatregel die ziet op de periode van 11 april 2008 tot en met 7 mei 2008.

7.9. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, door geen of onvoldoende gebruik te maken van de hem aangeboden voorziening, de ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB op hem rustende verplichting niet is nagekomen. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ernstig depressief is met kenmerken van manische depressiviteit. In de tot de gedingstukken behorende brief van de huisarts van appellant van 17 juli 2008 is daarvoor geen enkele steun te vinden. Hieruit vloeit voort dat het College in beginsel op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was een maatregel op te leggen. Ingevolge het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder C, onderdeel b, van de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand Leidschendam-Voorburg 2006 (hierna: Afstemmingsverordening) is het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling gekwalificeerd als een gedraging van de derde categorie, die ingevolge artikel 10, eerste lid, onder c, in verband met artikel 10, tweede lid, van de Afstemmingsverordening leidt tot een verlaging van de bijstand met 40% van de bijstandsnorm in geval van recidive binnen twaalf maanden.

7.10. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de ernst van de gedraging van appellant, de mate waarin hem die gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert aanleiding geven om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB in verbinding met artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening de verlaging van de bijstand vast te stellen op minder dan 40% van de bijstandsnorm of gedurende een kortere periode dan een maand.

8. Uit het voorgaande vloeit voort dat de hoger beroepen geen doel treffen. De aangevallen uitspraken komen daarom voor bevestiging in aanmerking.

9. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs

(get.) B. Bekkers

KM