Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1546

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
09-5962 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse besluiten inzake uitbetaling, intrekking en terugvordering WAO-uitkering met terugwerkende kracht wegens inkomsten. Niet voldaan aan inlichtingenverplichting. Anti-cumulatie. Geen sprake van verjaring. Geen dringende redenen. Boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5962 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 september 2009, 08/2131 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Voormelde gemachtigde heeft daarop bij brief van 20 oktober 2010 gereageerd, op welke brief het Uwv heeft gereageerd bij schrijven van 25 oktober 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2011. Appellant en voormelde gemachtigde waren aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Naar aanleiding van informatie van de belastingdienst en een daarop volgend fraude-onderzoek heeft het Uwv bij een viertal besluiten van 26 februari 2008 bepaald, dat de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant onder toepassing van artikel 44 van die wet met ingang van respectievelijk 1 januari 1998, 1 januari 1999 en 1 januari 2000 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, minder dan 15% en 55 tot 65%. Ingaande 1 januari 2001 wordt de WAO-uitkering van appellant ingetrokken omdat hij in staat wordt geacht de inkomsten waarmee rekening is gehouden duurzaam te verwerven. Bij besluit van eveneens 26 februari 2008 heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 januari 1998 tot 31 januari 2008 ten bedrage van € 257.878,51 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 27 februari 2008 is appellant een boete opgelegd van € 2.269,-. Naar aanleiding van het namens appellant tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv onder meer het zogenoemde maatmanloon opnieuw berekend. Dit heeft ertoe geleid dat het bezwaar van appellant bij besluit van 1 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) deels gegrond is verklaard en de primaire besluiten in die zin zijn aangevuld dan wel gewijzigd, dat diens mate van arbeidsongeschiktheid per 1 januari 2001 moet worden gesteld op 45 tot 55%, hetgeen betekent dat de WAO-uitkering met ingang van 1 januari 2001 onder toepassing van artikel 44 van de WAO zal worden uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%, deze uitkering per 1 januari 2002 zal worden betaald naar een percentage van 45 tot 55% en respectievelijk per 1 januari 2003, 1 januari 2004 en

1 januari 2005 niet zal worden uitbetaald. Het bedrag van de terugvordering over de in het primaire besluit vermelde periode is teruggebracht tot € 243.111,11. Voor het overige heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is onder meer daarop gebaseerd, dat appellant die vanaf 1993 een WAO-uitkering ontving in verband met psychische klachten, inkomsten als zelfstandige heeft verworven waarvan hij geen mededeling heeft gedaan en dat deze inkomsten, voor zover aan hem toe te rekenen, zodanig zijn dat toepassing van artikel 44 van de WAO en intrekking van de uitkering per 1 januari 2006 aangewezen is.

2. De rechtbank heeft het namens appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank met name de stelling van appellant verworpen, dat hij wel aan de informatieverplichting uit artikel 80 van de WAO heeft voldaan dan wel dat hem terzake geen verwijt kan worden gemaakt, omdat hij dacht dat zijn boekhouder alles voor hem geregeld had. De bedoelde informatieverplichting rust op appellant zelf, terwijl de door hem verworven inkomsten van dien aard en omvang waren dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat deze wel van invloed moesten zijn op zijn

WAO-uitkering. Dat appellant onder andere op een zogenoemd inlichtingenformulier AAW/ WAO heeft gemeld dat hij arbeid op therapeutische basis verrichtte, betekent nog niet dat hij adequaat en conform zijn wettelijke verplichting het Uwv van de door hem ontvangen inkomsten op de hoogte heeft gesteld. Voorts heeft de rechtbank de stellingen van appellant verworpen die betrekking hebben op het mede in aanmerking nemen van de zelfstandigenaftrek – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 27 augustus 2008, LJN BE9638 –, op het met ruime terugwerkende kracht toepassen van artikel 44 van de WAO, op het verjaard zijn van de terugvordering – onder verwijzing naar de uitspaak van de Raad van 9 april 2008, LJN BD0859 –, en die welke betrekking hebben op de aanwezigheid van dringende redenen om van terugvordering en/of boete- oplegging af te zien.

3. Appellant heeft het hoger beroep, onder herhaling van een deel van de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden, toegespitst op de stelling dat hij wel aan de op hem rustende informatieverplichting heeft voldaan, onder andere omdat hij met de arbeidsdeskundige had gesproken over het (gaan) verrichten van arbeid. Hij verkeerde in de veronderstelling dat het Uwv onder meer via deze informatie op de hoogte was van zijn activiteiten.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Anders dan appellant stelt, heeft hij niet aan de ingevolge artikel 80 van de WAO op hem rustende inlichtingenverplichting voldaan. Het moge zo zijn dat in een rapport van 17 juni 1994 van de arbeidsdeskundige B.J.A.M. Knirim valt te lezen dat appellant heeft vermeld dat hij op provisiebasis als intermediair voor een buitenlands bedrijf zou kunnen gaan werken – een memo van deze arbeidsdeskundige van 16 juni 1994 spreekt over dezelfde activiteiten op vrijblijvende basis –, maar juist in verband hiermee is, naar mag worden aangenomen, door (de rechtsvoorganger van) het Uwv bij brief van 12 juli 1994 aan hem verzocht het bij bedoelde brief gevoegde formulier in te zenden zodra hij werkzaamheden zou gaan verrichten. Op de hem over de jaren 1998- 2000 toegezonden inlichtingenformulieren heeft appellant de vragen “heeft u dit jaar of vorig jaar gewerkt?” en “heeft u naast uw uitkering nog andere inkomsten ontvangen?” ontkennend beantwoord. Vervolgens heeft appellant als toelichting daarop steeds aangegeven dat hij op therapeutische basis, op advies van zijn psycholoog, werkzaamheden verrichtte. Aldus wordt niet op adequate en reële wijze voldaan aan de wettelijke inlichtingenverplichting. Het ging hier immers om reguliere arbeid als zelfstandige waarmee niet onaanzienlijke inkomsten werden verkregen. Zelfs indien appellant had mogen denken – hetgeen overigens niet het geval is – dat op deze wijze voor het Uwv voldoende duidelijkheid was geschapen, dan nog had het hem, gelet op de winstcijfers van zijn bedrijf, na verloop van tijd volstrekt duidelijk moeten zijn, dat de ongewijzigde voortzetting van zijn

WAO-uitkering niet kon sporen met de omvang van deze inkomsten. Het had op zijn weg gelegen om direct volledige openheid te geven en duidelijkheid te verschaffen omtrent zijn verdiensten. Dat, zoals appellant stelt, gelet op de hiervoor weergegeven – vage – mededelingen op het Uwv een onderzoeksplicht zou rusten die de inlichtingverplichting van appellant zou wegnemen, is niet in overeenstemming met de tekst en strekking van artikel 80 van de WAO, krachtens welk artikel appellant verplicht was ook onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering.

4.3. Met betrekking tot het bezwaar van appellant betreffende het met teugwerkende kracht toepassen van artikel 44 van de WAO merkt de Raad op, dat volgens inmiddels vaste rechtspraak – zie onder andere CRvB 5 november 2008, LJN BG3717 – het overgaan tot anti-cumulatie op grond van artikel 44 van de WAO een verplichting is van het Uwv, waarbij dit artikel zich in beginsel niet verzet tegen toepassing met terugwerkende kracht.

4.4. De stelling van appellant dat de vordering uit onverschuldigde betaling (deels) verjaard zou zijn, verwerpt de Raad. De rechtbank heeft met recht, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad, overwogen dat de verjaring eerst aanvangt op het moment dat het Uwv van het onverschuldigd betalen en de persoon van de schuldenaar op de hoogte is geraakt, welk moment de rechtbank met recht heeft gesteld op de datum dat het Uwv kennis nam van het frauderapport, te weten 16 januari 2008. Daarvan uitgaande is van verjaring geen sprake.

4.5. Hetgeen appellant heeft aangevoerd omtrent de aanwezigheid van dringende redenen als bedoeld in artikel 57, vierde lid van de WAO treft geen doel. De bedoelde omstandigheden – onder andere de echtscheiding van appellant en een grote vordering van een van de afnemers van de onderneming – zijn ingevolge de jurisprudentie van de Raad waarop de rechtbank terecht heeft gewezen, niet als dringende redenen als bedoeld in voormeld artikel aan te merken.

4.6. De Raad merkt tot slot op, dat overigens ten aanzien de terugvordering alsmede ten aanzien van de oplegging van de boete geen zelfstandige grieven zijn aangevoerd. De Raad is van oordeel dat, gelet op de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding door appellant van de op hem rustende inlichtingenverplichting, een boete van € 2.269,-- evenredig is. De Raad wijst daarbij in het bijzonder op de onder 4.2 vermelde feiten en omstandigheden en op het zeer hoge bedrag dat appellant door de schending van de inlichtingenplicht ten onrechte heeft ontvangen.

4.7. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J. Riphagen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) T.J. van der Torn.

TM