Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1363

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
10/6829 WWB + 10/6831 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting.Gezamenlijke huishouding. Gelet op het voorgaande is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan appellante verleende bijstand tot een bedrag van € 44.072,96 mede van appellant terug te vorderen. Over de wijze waarop het College van zijn terugvorderingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt zijn geen gronden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6829 WWB + 10/6831 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante) en [Appellant] (hierna: appellant), beiden wonende te [woonplaats]

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 november 2010, 08/7565 en 08/7568 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.W. Verhoef, advocaat te Uithoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Verhoef. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 januari 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 10% in verband met het kunnen delen van de noodzakelijke kosten van het bestaan met appellant.

1.2. In het kader van een onderzoek naar een mogelijk door appellant gepleegd strafbaar feit heeft de Koninklijke Marechaussee op 6 februari 2007, in aanwezigheid van de officier van justitie, een doorzoeking ter inbeslagname verricht in de woning van appellante. Daarbij is het vermoeden ontstaan dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren. Van dit vermoeden is melding gemaakt aan de sectie Fraudebestrijding van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem.

1.3. Naar aanleiding van genoemde melding heeft de sectie Fraudebestrijding een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft onder meer dossieronderzoek plaatsgevonden en is op 17 april 2007 een doorzoeking ter inbeslagname in de woning van appellante verricht. Hierbij zijn onder meer de administratie van appellant, nota’s van door hem aangeschafte gebruiksgoederen en persoonlijke bezittingen in beslag genomen, voor zover aangetroffen buiten de kamer die door appellant zou zijn gehuurd. Verder zijn appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn weergegeven in een rapport van 21 januari 2008.

1.4. In de onderzoeksresultaten heeft het College aanleiding gezien bij besluit van 30 mei 2007 de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 januari 2003 tot en met

5 februari 2007 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 44.072,96 van haar terug te vorderen. Bij besluit van 31 mei 2007 heeft het College appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugvordering.

1.5. Bij afzonderlijke besluiten van 21 oktober 2008 heeft het College de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 30 mei 2007 en 31 mei 2007 ongegrond verklaard.

1.6. Aan zijn besluitvorming heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante in de periode van 1 januari 2003 tot en met 5 februari 2007 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met appellant en in strijd met haar wettelijke inlichtingenverplichting heeft nagelaten daarvan opgave aan het College te doen. Als gevolg daarvan had appellante als alleenstaande geen recht op bijstand, zodat het College gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid de bijstand over de periode in geding in te trekken en de kosten van bijstand over deze periode van haar terug te vorderen. Aangezien appellant door het College is aangemerkt als de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan appellante rekening had moeten worden gehouden, heeft het College appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugvordering.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen de besluiten van 21 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij hebben zij aangevoerd dat appellante begin 2003 aan het College mededeling heeft gedaan van de verhuur van een kamer aan appellant. Appellanten hebben betwist dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Appellanten ontkennen de aanschaf door appellant van duurzame goederen die gezamenlijk worden gebruikt. Ten slotte stellen appellanten dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is geweest van pinopnamen ten behoeve van een gezamenlijke huishouding.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Bij de beoordeling of sprake is van een gezamenlijke huishouding zijn de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid dan wel de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellanten ten tijde hier in geding gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van appellante hebben gehad. De Raad zal zich bij zijn beoordeling daarom beperken tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het College op goede gronden heeft geconcludeerd dat er ten tijde hier in geding sprake was van wederzijdse zorg tussen appellanten.

4.3. Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars zorg voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg in een concreet geval is voldaan.

4.4. Appellante heeft in een verhoor op 19 april 2007 ten overstaan van de sociale recherche van de gemeente Haarlem verklaard dat zij ten tijde in geding toiletartikelen voor appellant kocht en de boodschappen deed, die zij meestal betaalde. Een vergoeding voor de gemaakte kosten van de boodschappen ontving zij niet van appellant. Gezamenlijke vakanties werden door appellant betaald. De auto van appellant stond op naam van appellante. Zij betaalde de wegenbelasting en de verzekering, maar kreeg dit terug van appellant. Ook heeft zij dit zelf wel eens via internet van de bankrekening van appellant naar haar eigen bankrekening overgemaakt. Daarvoor maakte zij gebruik van de computer die in de kamer van appellant stond. Appellante beschikte over de pincode van de betaalpas van appellant. Appellant heeft een televisie gekocht die in de huiskamer van appellante staat. Verder blijkt uit afschriften van de girorekening van appellant over de periode van 2003 tot en met 2006 van betalingen aan damesmodezaken, de kapper van appellante en de dierenkliniek in verband met behandeling van de hond van appellante.

4.5. Appellante heeft voorts verklaard dat appellant de keuken, wc en douche mocht gebruiken en dat hij voornamelijk bij appellante in de huiskamer zat. Appellant at mee en mocht eten en drinken uit de koelkast pakken. Appellante stofzuigde de kamer van appellant, waste zijn gordijnen, waste en streek de kleding van appellant en borg deze op in zijn kast. Appellant mocht onbeperkt gebruik maken van gas, water en licht. Hij had zijn eigen mobiele telefoon, maar mocht gebruik maken van de huistelefoon.

4.6. Het voorgaande, bezien in samenhang met de overige bevindingen van het onderzoek zoals neergelegd in het rapport van 21 januari 2008, brengt de Raad tot de conclusie dat, anders dan appellanten betogen, het College terecht heeft aangenomen dat tussen appellanten sprake was van wederzijdse zorg, en daarmee van een gezamenlijke huishouding in de zin van de WWB. Appellante had derhalve in de hier aan de orde zijnde periode geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellante heeft het College van het voeren van deze gezamenlijke huishouding niet op de hoogte gesteld. Daarmee heeft zij haar wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting is aan appellante over de periode van 1 januari 2003 tot en met 5 februari 2007 ten onrechte bijstand verleend. Het College was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand van appellante in te trekken. Over de wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt hebben appellanten geen beroepsgronden aangevoerd.

4.7. Met het voorgaande is tevens gegeven dat over de periode van 1 januari 2003 tot en met 5 februari 2007 is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 58, eerste lid, onder a, van de WWB. Het College was dan ook bevoegd om de gemaakte kosten van bijstand over die periode van appellante terug te vorderen. Over de wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt hebben appellanten geen beroepsgronden aangevoerd.

4.8. Gelet op het voorgaande is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het College was derhalve bevoegd de kosten van de ten onrechte aan appellante verleende bijstand tot een bedrag van € 44.072,96 mede van appellant terug te vorderen. Over de wijze waarop het College van zijn terugvorderingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt zijn geen gronden aangevoerd.

4.9. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD