Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
10-5675 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning persoonsgebonden budget van € 5.750,78 toegekend ten behoeve van (ondersteunende) begeleiding.. Bij besluit van 20 januari 2010 is Menzis gekomen tot de eindafrekening van het aan appellant toegekende pgb over het jaar 2009. Geconcludeerd is dat appellant, gelet op de door hem afgelegde verantwoording van het pgb, een bedrag van € 850,78 dient terug te betalen. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het beroep van appellant op goede grond niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad wijst daartoe op het volgende. Appellant is bij brief van de rechtbank van 3 juni 2010 conform artikel 8:41, tweede lid, van de Awb meegedeeld dat hij griffierecht verschuldigd is en dat hij dat binnen vier weken na de dag van verzending (van die mededeling) moet hebben betaald. Nadat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald, heeft de rechtbank appellant bij brief van 7 juli 2010 herinnerd aan de verplichting om het griffierecht te betalen. Daarbij is appellant de gelegenheid geboden om het griffierecht alsnog te betalen binnen vier weken na 7 juli 2010. Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Hij heeft voorts niet gereageerd op de beide brieven van de rechtbank. Pas nadat appellant de uitnodiging voor de zitting van de rechtbank had ontvangen, heeft hij bij brief van 4 september 2010 laten weten vanwege financiële problemen niet in staat te zijn om het griffierecht te betalen. Van appellant had echter verwacht mogen worden dat hij al voor het verstrijken van de oorspronkelijke betalingstermijn van vier weken met de rechtbank contact had opgenomen om te vragen om uitstel voor het betalen van het griffierecht gezien zijn financiële problemen. Gesteld noch gebleken is dat appellant niet in de gelegenheid was om zich tijdig tot de rechtbank te wenden. De beroepsgrond slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5675 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 oktober 2010, 10/1932 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

Stichting Zorgkantoor Menzis, gevestigd te Wageningen, (hierna: Menzis).

Datum uitspraak: 6 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Menzis heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2011. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. Bij besluit van 28 mei 2009 heeft Menzis aan appellant over het jaar 2009 een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) van € 5.750,78 toegekend ten behoeve van (ondersteunende) begeleiding.

2.2. Bij besluit van 20 januari 2010 is Menzis gekomen tot de eindafrekening van het aan appellant toegekende pgb over het jaar 2009. Geconcludeerd is dat appellant, gelet op de door hem afgelegde verantwoording van het pgb, een bedrag van € 850,78 dient terug te betalen.

2.3. Bij besluit van 17 mei 2010 heeft Menzis het tegen het besluit van 20 januari 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen. In artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder meer bepaald dat de indiener van een beroepschrift een griffierecht verschuldigd is. Er is niet gebleken dat het in beroep verschuldigde griffierecht binnen de gestelde termijn, uiterlijk op 4 augustus 2010, is betaald. De door appellant als reden daarvoor aangevoerde betalingsonmacht is volgens de rechtbank geen reden om het beroep ontvankelijk te achten. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om het griffierecht te voldoen, namelijk vanaf 3 juni 2010 tot en met 4 augustus 2010. Een verder uitstel voor de betaling van het griffierecht is, nog afgezien van het feit dat niet uiterlijk 4 augustus 2010 een verzoek om uitstel is ontvangen, daarom niet aan de orde. Ook overigens is niet gebleken van enige omstandigheid op grond waarvan appellant redelijkerwijs niet geacht kan worden in verzuim te zijn geweest.

4. Appellant heeft in hoger beroep - voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang - herhaald dat hij vanwege financiële problemen niet in staat was om het in beroep aan de rechtbank verschuldigde griffierecht te betalen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Wet- en regelgeving

6.1. In artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is onder meer bepaald dat de indiener van een beroepschrift een griffierecht verschuldigd is.

6.2. Volgens artikel 8:41, tweede lid, van de Awb wijst de griffier de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Beoordeling

7.1. De Raad stelt vast dat appellant niet heeft betwist dat hij het in beroep verschuldigde griffierecht niet heeft betaald.

7.2. De Raad is van oordeel dat de rechtbank het beroep van appellant op goede grond niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad wijst daartoe op het volgende. Appellant is bij brief van de rechtbank van 3 juni 2010 conform artikel 8:41, tweede lid, van de Awb meegedeeld dat hij griffierecht verschuldigd is en dat hij dat binnen vier weken na de dag van verzending (van die mededeling) moet hebben betaald. Nadat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald, heeft de rechtbank appellant bij brief van 7 juli 2010 herinnerd aan de verplichting om het griffierecht te betalen. Daarbij is appellant de gelegenheid geboden om het griffierecht alsnog te betalen binnen vier weken na 7 juli 2010. Appellant heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan. Hij heeft voorts niet gereageerd op de beide brieven van de rechtbank. Pas nadat appellant de uitnodiging voor de zitting van de rechtbank had ontvangen, heeft hij bij brief van 4 september 2010 laten weten vanwege financiële problemen niet in staat te zijn om het griffierecht te betalen. Van appellant had echter verwacht mogen worden dat hij al voor het verstrijken van de oorspronkelijke betalingstermijn van vier weken met de rechtbank contact had opgenomen om te vragen om uitstel voor het betalen van het griffierecht gezien zijn financiële problemen. Gesteld noch gebleken is dat appellant niet in de gelegenheid was om zich tijdig tot de rechtbank te wenden. De beroepsgrond slaagt niet.

Slotoverweging

8. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD