Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1254

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
09-2650 BZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstandverlening zelfstandigen 2004. De Raad stelt voorop dat naar vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 13 juli 2010, LJN BN1341) een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige gerechtigd is om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als VuurKracht. Evenals de rechtbank acht de Raad in dit geval geen situatie aanwezig waarin die regel niet zou opgaan. Niet is gebleken dat het advies en/of het nadere advies van VuurKracht op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2650 BZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 mei 2009, 08/616 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Groot. Het College heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 17 december 2007 heeft hij op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) algemene bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal aangevraagd voor het starten van een café. Appellant heeft daarbij tevens een ondernemingsplan ingediend.

1.2. Naar aanleiding van die aanvraag heeft het College advies gevraagd aan VuurKracht, Adviesbureau voor startende ondernemers, te Haren (hierna: VuurKracht). VuurKracht heeft onder meer onderzoek gedaan naar de exploitatievooruitzichten, de financieringsmogelijkheden en de levensvatbaarheid van het te starten bedrijf. Daartoe heeft VuurKracht ook met appellant gesproken. Het op 8 februari 2008 uitgebrachte advies houdt in dat het door appellant te starten bedrijf niet levensvatbaar is. In het advies is uiteengezet dat en waarom niet kan worden uitgegaan van de door appellant geprognosticeerde omzetten voor de jaren 2008 tot en met 2010. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellant voor het verkrijgen van een drank- en horecavergunning niet langer dan 70 uur per week als leidinggevende mag werken. Wanneer het café meer dan 70 uur per week geopend is, is appellant verplicht personeel aan te nemen. De door appellant voorgestane openingstijden brengen echter met zich dat het café 112 uur per week zal zijn geopend. Omdat appellant niet met personeel wil werken, wordt uitgegaan van de branchecijfers voor een gemiddeld café als dat van appellant zonder personeel. Uitgaande van de op basis daarvan berekende omzetten over de jaren 2008 tot en met 2010 en ervan uitgaande dat de lening moet zijn afgelost voordat appellant 65 jaar wordt, heeft VuurKracht geconcludeerd dat het rendement onvoldoende is om aan alle financiële verplichtingen te kunnen voldoen.

1.3. Bij besluit van 21 februari 2008 heeft het College, onder verwijzing naar het door VuurKracht uitgebrachte advies, de aanvraag afgewezen op de grond dat het bedrijf niet levensvatbaar is.

1.4. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In de gronden van het bezwaar heeft appellant, onder verwijzing naar een e-mail van [naam J.] van 19 februari 2008 aan de afdeling Sociale Zaken en Werk van de gemeente Groningen, kritiek geleverd op het door VuurKracht uitgebrachte rapport. VuurKracht heeft op verzoek van het College op deze kritiek gereageerd bij nader rapport van 21 april 2008.

1.4. Bij besluit van 3 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de gronden die hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat niet relevant is hoeveel uren hij mag werken en dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Volgens appellant is het door hem te starten bedrijf wel levensvatbaar.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat naar vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 13 juli 2010, LJN BN1341) een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige gerechtigd is om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als VuurKracht. Evenals de rechtbank acht de Raad in dit geval geen situatie aanwezig waarin die regel niet zou opgaan. Niet is gebleken dat het advies en/of het nadere advies van VuurKracht op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, feitelijke onjuistheden bevat of ondeugdelijk is gemotiveerd.

4.2. In het rapport van 8 februari 2008 en het nadere rapport van 21 april 2008 heeft VuurKracht voldoende toegelicht dat en waarom het aantal uren dat appellant - volgens zijn eigen opgave van de openingstijden van het café - werkzaam zal zijn in het café relevant is. Appellant is niet met een deskundigenrapport gekomen waaruit blijkt dat dit anders is en dat het mogelijk is het café rendabel te exploiteren op de door hem voorgestane wijze. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 4 mei 2010, LJN BM3576) dat louter eigen verwachtingen van de belanghebbende over de te verwachten omzet, en daarmee de levensvatbaarheid van het bedrijf, onvoldoende basis vormen voor het toekennen van een bedrijfskrediet en/of een periodieke bijstandsuitkering als (startend) ondernemer.

4.3. De Raad stelt vast dat de rechtbank reeds uitvoerig is ingegaan op de - ook in bezwaar en beroep - ingenomen stelling dat sprake is van leeftijdsdiscriminatie. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat VuurKracht er terecht vanuit is gegaan dat appellant het bedrijfskrediet bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar moet hebben afgelost en dat, nu appellant zijn beroep op leeftijdsdiscriminatie verder niet heeft onderbouwd, niet kan worden gezegd dat het College ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt. De Raad onderschrijft deze overwegingen en ziet in de enkele, in hoger beroep herhaalde en niet onderbouwde stelling van appellant dat sprake is van leeftijdsdiscriminatie geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. Voorts wijst de Raad erop dat het advies van VuurKracht berust op bedrijfseconomische overwegingen en niet op de overweging dat gezien de leeftijd van appellant het bedrijf niet levensvatbaar is.

4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) W.F. Claessens.

get.) N.M. van Gorkum.

RS