Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1247

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
09-3861 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de vaststelling van de ingangsdatum van de bijstand in het geval van appellante dient de melding op 3 juli 2007 (schriftelijke medking bij CWI) als uitgangspunt genomen te worden. Het aanvragen van bijstand door een vreemdeling die nog niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11 van de WWB, moet rechtens als kansloos worden beschouwd. Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Geen bijzonder geval. De rechtbank heeft ten onrechte geen oordeel gegeven over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en ter zake daarvan ten onrechte ook geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Tevens heeft de rechtbank ten onrechte niet beslist op de in beroep naar voren gebrachte grond dat de Bestuurscommissie de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase ten onrechte heeft beperkt tot een bedrag van € 322,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3861 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 12 juni 2009, 08/542 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: Bestuurscommissie), thans Drechtstedenbestuur

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het Drechtstedenbestuur per 1 januari 2011 de taken en bevoegdheden in het kader van de WWB uit die voorheen door de Bestuurscommissie werden uitgeoefend.

Namens appellante heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, jurist te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De Bestuurscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Voor appellante is mr. drs. Schroeder verschenen. De Bestuurscommissie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Berkhoudt, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden te Dordrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, van Russische nationaliteit, heeft op 13 juli 2007 in het kader van de “Pardonregeling” met ingang van 15 juni 2007 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd (hierna: verblijfsvergunning) verkregen.

1.2. Op 25 juli 2007 heeft appellante een aanvraag ingediend om een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.3. Bij besluit van 5 oktober 2007 heeft de Bestuurscommissie appellante met ingang van 25 september (lees: juli) 2007 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Appellante heeft hiertegen op 15 oktober 2007 bezwaar gemaakt.

1.4. Op 16 mei 2008 heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift.

1.5. Bij besluit van 21 mei 2008 heeft de Bestuurscommissie het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 oktober 2007 gegrond verklaard, de ingangsdatum van de uitkering nader bepaald op 3 juli 2007 - de datum van schriftelijke melding bij het CWI - en voor de kosten van rechtsbijstand een vergoeding van € 322,-- toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 21 mei 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om de bijstand rechtstreeks dan wel met terugwerkende kracht wegens bijzondere omstandigheden met ingang van 15 juni 2007 toe te kennen. Appellante heeft zich reeds op 15 december 2006 gemeld en een aanvraag om bijstand ingediend, welke aanvraag bij besluit van 4 januari 2007 buiten behandeling is gesteld. Zij verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden en heeft aantoonbare schulden in verband met een eigen bijdrage in de kosten voor dag- en nachtverblijf bij het Leger des Heils. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en ook niet over het beroep tegen de hoogte van de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege. Artikel 11, tweede lid, van de WWB bepaalt dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en artikel l, van de Vreemdelingenwet 2000, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

4.2.1. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het College is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

4.2.2. De Raad is met de rechtbank en de Bestuurscommissie van oordeel dat voor de vaststelling van de ingangsdatum van de bijstand in het geval van appellante de melding op 3 juli 2007 als uitgangspunt genomen dient te worden. Het standpunt van appellante dat als uitgangspunt voor de aanvang van bijstandverlening 15 juni 2007 moet worden genomen nu zij zich reeds vóór die datum, op 15 december 2006, heeft gemeld, kan niet gevolgd worden. Naar de Raad eerder in zijn uitspraak van 24 mei 2011, LJN BQ8031, heeft overwogen moet het aanvragen van bijstand door een vreemdeling die nog niet behoort tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11 van de WWB, rechtens als kansloos worden beschouwd. Het aanvragen van bijstand op voorhand kan niet het door appellante beoogde gevolg hebben. Pas nadat appellante op 13 juli 2007 een verblijfsvergunning had verkregen, behoorde zij, met ingang van 15 juni 2007, tot de kring van rechthebbenden als bedoeld in artikel 11 van de WWB.

4.3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.3.2. Van bijzondere omstandigheden kan sprake zijn indien aan een vreemdeling met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning wordt verleend en hij aannemelijk maakt dat hij over een periode vanaf de ingangsdatum van de verblijfsvergunning tot aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding heeft plaatsgevonden niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft kunnen voorzien. Het complementaire karakter van de WWB brengt mee dat betrokkene dan aannemelijk dient te maken dat derden feitelijk in die kosten hebben voorzien en hij om die reden een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete terugbetalingsverplichting is aangegaan, alsmede dat, indien betrokkene hierin slaagt, de bijstandverlening beperkt dient te blijven tot de hoogte van de reële schuld.

4.3.3. De Raad is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden in voormelde zin. Weliswaar heeft appellante een verklaring van het Leger des Heils van 25 oktober 2007 overgelegd waaruit naar voren komt dat zij in de periode van 15 juni 2007 tot 3 juli 2007 kost en inwoning genoot bij het Leger des Heils, maar daaruit blijkt geenszins dat appellante over dat tijdvak ook daadwerkelijk een eigen bijdrage is verschuldigd. Uit de verklaring blijkt dat voor de periode dat appellante aldaar verblijft en zij geen inkomen heeft de inkomensafhankelijke eigen bijdrage nihil zal zijn. Wel is een voorbehoud gemaakt om de inkomensafhankelijke bijdrage, waarvan een tussentijds overzicht uit het sub-grootboek 10 over het boekjaar 2006/2007 in de gedingstukken aanwezig is, te verrekenen ingeval er alsnog inkomsten worden verkregen. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat er voor de Bestuurscommissie geen grond was om eerder dan met ingang van 3 juli 2007 aan appellante bijstand te verlenen. In zoverre slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

4.4. De beroepsgrond van appellante, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en ter zake daarvan ten onrechte ook geen proceskostenveroordeling heeft uitgesproken, treft doel. De rechtbank heeft immers uitsluitend beslist op het beroep tegen het reële besluit op bezwaar van 21 mei 2008.

4.4.1. Niet in geschil is dat de Bestuurscommissie niet tijdig heeft beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 oktober 2007. Nadat de Bestuurscommissie het besluit van 21 mei 2008 had genomen en de rechtbank het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar mede gericht had geacht tegen het besluit van 21 mei 2008, had appellante evenwel geen procesbelang meer bij een oordeel over haar beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar.

4.4.2. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover de rechtbank heeft nagelaten daarbij te beslissen op het beroep van appellante tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, dat beroep niet-ontvankelijk verklaren, en het Drechtstedenbestuur ter zake van dat beroep veroordelen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 80,50.

4.5. Eveneens treft doel het standpunt van appellante dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op de in beroep naar voren gebrachte grond dat de Bestuurscommissie de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase ten onrechte heeft beperkt tot een bedrag van € 322,--.

4.5.1. De Bestuurscommissie heeft erkend dat een vergoeding van € 644,-- had moeten worden toegekend. Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordigster van het Drechtstedenbestuur meegedeeld niet uit te sluiten dat het juiste bedrag wel is uitbetaald.

4.5.2. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij is nagelaten een oordeel te geven over de in 4.5 genoemde beroepsgrond. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 21 mei 2008 gegrond verklaren voor zover het betreft de hoogte van de toegekende vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand, dat besluit in zoverre vernietigen, en deze vergoeding vaststellen op een bedrag van € 644,--. Hierop strekt in mindering hetgeen door de Bestuurscommissie feitelijk reeds aan appellante is betaald.

5. De Raad ziet aanleiding het Drechtstedenbestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. Naast de in 4.4.2 opgenomen kosten, worden deze kosten begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist en geen proceskostenveroordeling is uitgesproken met betrekking tot het beroep tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar;

Verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar

niet-ontvankelijk;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij niet is beslist op het beroep tegen het besluit van 21 mei 2008 voor zover daarbij de vergoeding van de kosten van appellante in de bezwaarfase is vastgesteld op € 322,--;

Verklaart het beroep ter zake gegrond en vernietigt het besluit van 21 mei 2008 in zoverre;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het Drechtstedenbestuur in de kosten van appellante in bezwaar tot een bedrag van € 644,--;

Veroordeelt het Drechtstedenbestuur in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.368,50, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Drechtstedenbestuur aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C. van Viegen en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) B. Bekkers.

HD