Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1242

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
09-204 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen bankrekeningen. Schending inlichtingenverplichting. Beleid. Interingsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/204 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 4 december 2008, 08/323 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Voor appellante zijn verschenen haar dochter [naam dochter] en mr. H.J. Griede, kantoorgenoot van mr. Dieters. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 21 juni 2004 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst in 2006 over banksaldi en mogelijke rente-inkomsten van appellante in 2004 heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader zijn gegevens opgevraagd bij de Belastingdienst en is appellante op 16 oktober 2007 gehoord. Uit het onderzoek, waarvan op 5 november 2007 een rapport is opgemaakt, kwam naar voren dat appellante naast de bij het College bekende Postbankrekening drie bankrekeningen had bij de SNS bank. De saldi van de vier rekeningen bedroegen in juni 2004 in totaal € 16.574,-- en in augustus 2007 € 18.071,--.

1.3. De onderzoeksbevindingen waren voor het College aanleiding om bij besluit van 8 november 2007 de bijstand van appellante over de periode van 21 juni 2004 tot en met 24 oktober 2005 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 15.689,15 van haar terug te vorderen. Bij besluit van 13 maart 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 november 2007 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet aan het College heeft doorgegeven dat zij over drie rekeningen bij de SNS bank beschikte met als gevolg dat zij te veel bijstand heeft ontvangen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 13 maart 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante uitsluitend aangevoerd dat het College in haar geval de interingsnorm van 1,5 maal de bijstandsnorm had moeten toepassen die volgens het beleid van het College geldt in gevallen waarin de betrokkene niet kan worden verweten de inlichtingenverplichting te hebben geschonden. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij enkele stukken ingediend, waaronder een voorlichtingsrapport van de reclassering en de aantekening van een mondeling vonnis van de politierechter van de rechtbank Groningen van 7 januari 2009, waarbij zij is vrijgesproken van de haar ten laste gelegde valsheid in geschrifte. Voorts heeft appellante verzocht om vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

4. De Raad overweegt over deze beroepsgrond het volgende.

4.1. Uit de gedingstukken blijkt dat het College een interingsnorm van 1,5 maal de geldende bijstandsnorm toepast wanneer een belanghebbende een vermogen boven de toepasselijke vermogensgrens, op grond waarvan hij eerder geen recht op bijstand had, heeft ingeteerd en het College in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag moet beoordelen of het interen op een voor de toepassing van de WWB aanvaardbare wijze heeft plaatsgevonden.

4.2. Wanneer een belanghebbende het bezit van een vermogen heeft verzwegen waardoor pas achteraf wordt geconstateerd dat zijn vermogen gedurende de periode waarin hij bijstand heeft ontvangen meer bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, voert het College het beleid dat de kosten van de bijstand over deze periode volledig worden teruggevorderd. Bij een geringe overschrijding van de vermogensgrens gedurende een langere periode is de bestendige gedragslijn dat een interingsnorm wordt toegepast van eenmaal de geldende bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag, vermeerderd met de ziektekostenpremie.

4.3. Naar het oordeel van de Raad doet zich in het geval van appellante de onder 4.2 beschreven situatie voor. Daartoe overweegt de Raad dat het appellante redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat informatie over het bestaan van en de tegoeden op drie op haar naam staande bankrekeningen van belang kon zijn voor het recht op bijstand, reeds omdat bij de aanvraag om bijstand nadrukkelijk is gevraagd naar het bezit van bankrekeningen en vermogen. In dit verband wijst de Raad ook op zijn vaste rechtspraak, inhoudende dat het feit dat een bankrekening op naam van een betrokkene staat de vooronderstelling rechtvaardigt dat het op die rekening staande tegoed een bestanddeel vormt van de middelen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dat appellante in de veronderstelling verkeerde dat de tegoeden op de bankrekeningen toebehoorden aan een kennis van wie zij geld had gekregen en zich er niet van bewust was dat zij die rekeningen aan het College had moeten opgeven, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Ook het feit dat appellante door de politierechter is vrijgesproken, doet aan het voorgaande niet af. Zoals de Raad al meermalen heeft overwogen, is de bestuursrechter in het algemeen niet gebonden aan hetgeen door de strafrechter is geoordeeld, nu in de strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. De Raad ziet geen grond om hierover in dit geval anders te oordelen.

4.4. Gezien het onder 4.3 gegeven oordeel heeft het College in overeenstemming met zijn beleid gehandeld door bij de berekening van fictieve intering van het vermogen van appellante uit te gaan van intering met eenmaal de geldende bijstandsnorm per maand.

4.5. Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. In verband hiermee bestaat geen ruimte voor inwilliging van het verzoek om schadevergoeding.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C. van Viegen

en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) B. Bekkers.

HD