Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
09-3958 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Er is een toereikende grondslag voor de conclusie dat betrokkene ( vader van het enig door hem erkende kind van appellante) in de hier te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. In de woning van van appellante is een complete herengarderobe aangetroffen en de kleding was in een kast in een slaapkamer opgeborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3958 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 mei 2009, 08/4384 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M. Nieuwendijk, kantoorgenoot van mr. Schuurman en tevens opvolgend gemachtigde. Voorts zijn verschenen de door appellante meegebrachte getuigen [getuige A] en [getuige B]. Het College heeft zich - met bericht vooraf - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 18 augustus 2003 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een melding van Marktplein Zuidoost van de Dienst Werk en Inkomen (DWI), gedateerd 27 november 2007, dat appellante een relatie heeft en mogelijk ook samenwoont met [getuige A], vader van het enig door hem erkende kind van appellante, is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van haar uitkering. Handhavingspecialisten van de DWI hebben huisbezoeken afgelegd bij appellante en bij [getuige B], de moeder van [getuige A]. De bevindingen van die huisbezoeken zijn neergelegd in een rapport van 17 juli 2008.

1.3. De onderzoeksbevindingen waren voor het College aanleiding om bij besluit van 24 juli 2008 de bijstand van appellante per 16 juli 2008 te beëindigen (lees: in te trekken) omdat de woon- of leefsituatie van appellante niet overeenstemde met haar opgave. Het College heeft aangenomen dat [getuige A] zijn hoofdverblijf heeft in de woning van appellante en dat zij daarom een gezamenlijke huishouding voeren. Bij besluit van 25 september 2008 heeft het College het door appellante tegen het besluit van 24 juli 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 25 september 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat zij haar inlichtingenverplichting neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden en dat zij ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerde met [getuige A]. Zij heeft daartoe gesteld dat [getuige A], zijn hoofdverblijf had in de woning van zijn moeder en dat uit het feit dat er in haar woning (veel) kleding van hem is aangetroffen, en meer kleding is aangetroffen dan in de woning van zijn moeder, een onvoldoende grondslag biedt om een gezamenlijke huishouding aan te nemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Raad stelt vast dat het College de intrekking van de bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 18 juli 2006, LJN AY5142, bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire besluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 16 juli 2008 tot en met 24 juli 2008.

4.2. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaats gevonden van een kind van de een door de ander.

4.3. Aangezien - naar niet wordt betwist - uit de relatie tussen [getuige A] en appellante een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [getuige A] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er een toereikende grondslag is voor de conclusie dat [getuige A] in de hier te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De Raad hecht daarbij betekenis aan de omstandigheid dat appellante tijdens de huisbezoeken op 29 januari 2008 en 16 juli 2008 tegenover de handhavingspecialisten heeft verklaard dat [getuige A] een slaapkamer heeft ingericht in haar woning en dat hij daar regelmatig (één, twee, drie, keer per week) verblijft en slaapt. [getuige A] maakt ’s avonds soms ook gebruik van de douche in haar woning en dan blijft hij slapen. Voorts hecht de Raad belang aan het feit dat [getuige A] tijdens het tweede huisbezoek aan de woning van appellante in de ochtend van 16 juli 2008 slapend is aangetroffen. De Raad hecht verder betekenis aan het feit dat tijdens dat huisbezoek een complete herengarderobe is aangetroffen, waarvan appellante verklaard heeft dat deze van [getuige A] is. Tijdens het op diezelfde dag afgelegde huisbezoek aan de woning van [getuige B] is slechts een zeer beperkte hoeveelheid kleding van [getuige A] aangetroffen. Sokken en ondergoed van [getuige A] werden niet aangetroffen. Ter zitting van de Raad hebben appellante en de meegebrachte getuigen verklaard dat de wasmachine in de woning van de moeder van [getuige A] stuk was in de periode in geding en dat appellante om deze reden de was deed voor [getuige A]. De Raad acht deze - eerst ter zitting - afgelegde verklaringen niet overtuigend. De Raad overweegt daartoe dat appellante reeds tijdens het huisbezoek op 29 januari 2008 heeft verklaard dat [getuige A] kleding van hem in haar woning bewaart, dat op 16 juli 2008 een complete herengarderobe in de woning van appellante is aangetroffen en de kleding in een kast in een slaapkamer was opgeborgen.

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat appellante ten tijde hier in geding een gezamenlijke huishouding voerde met [getuige A]. Appellante heeft hiervan geen melding gemaakt bij het College, zodat zij de wettelijke op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante met ingang van 16 juli 2008 in te trekken. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD