Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1230

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
09-4563 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep. Nu de WWB slechts voorziet in tijdelijke ontheffingen van verplichtingen als hier bedoeld, moet worden aangenomen dat een besluit omtrent ontheffing van bepaalde verplichtingen waarvan de werkingsduur niet beperkt is, zijn werking verliest door een opvolgend besluit omtrent ontheffing van diezelfde verplichtingen vanaf de ingangsdatum van dat opvolgend besluit. Door het besluit van 12 mei 2011 is daarom in hoger beroep nog uitsluitend in geschil of het College appellant vanaf 2 april 2008 tot 12 mei 2011 de arbeidsverplichtingen mocht opleggen. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie de uitspraken van 27 mei 1997, LJN ZB6963 en 21 juli 2009, LJN BJ3666) kan geen procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/198
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4563 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 juli 2009, 08/2099 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.Y. Gans, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 24 mei 2011. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op verzoek van het College heeft de GGD Zuid Limburg een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht bij appellant ter vaststelling van zijn arbeids- en trajectgeschiktheid. Volgens het door de GGD uitgebrachte en door het College op

28 februari 2008 ontvangen advies is appellant vanwege rugbeperkingen niet in staat om fysiek zware arbeid te verrichten, is zwaar tillen, dragen, trekken en duwen en traplopen beperkt mogelijk en is appellant wel in staat om matig zwaar tot licht fysiek werk te doen zonder een medische urenbeperking. Appellant wordt geschikt geacht voor licht productiewerk waarbij regelmatig van houding gewisseld kan worden en wat past binnen zijn vastgestelde medische beperkingen. Het College heeft vervolgens bij besluit van 2 april 2008, voor zover van belang, aan appellant meegedeeld dat aan hem geen vrijstelling wordt verleend van de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, van de WWB en dat hij, ondanks zijn medische beperkingen, moet proberen algemeen geaccepteerd werk in dienstbetrekking te verkrijgen en algemeen geaccepteerd werk dient te aanvaarden. Daarbij heeft het College opgemerkt dat het bij de controle op de naleving van de verplichtingen rekening zal houden met de door de GGD-arts aangegeven beperkingen.

1.3. Bij besluit van 18 november 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 april 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 18 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. Het College heeft bij besluit van 12 mei 2011, voor zover van belang, appellant ontheven van zijn arbeidsverplichtingen om algemeen geaccepteerd werk in dienstbetrekking te verkrijgen en algemeen geaccepteerd werk te aanvaarden omdat uit medisch onderzoek, verricht op 25 januari 2011 door Annex BV, is gebleken dat appellant tijdelijk volledig arbeidsongeschikt is.

4.1. Het College heeft in zijn brief aan de Raad van 18 mei 2011 het standpunt ingenomen dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn hoger beroep omdat appellant bij besluit van 12 mei 2011 is vrijgesteld van de arbeidsverplichting en het College in de periode gelegen tussen de uitspraak van de rechtbank en 18 mei 2011 geen voor appellant belastend besluit heeft genomen.

4.2. Namens appellant heeft mr. P. Goettsch, advocaat te Amsterdam, bij brief van 23 mei 2011 aan de Raad meegedeeld dat met de onder 4 vermelde beslissing van het College een einde is gekomen aan het van kracht zijn van de bestreden beslissing (lees: het besluit van 18 november 2008), dat appellant in die zin geen belang meer heeft bij de hoger beroepsprocedure en ook geen belang meer heeft bij een oordeel over de medische beoordeling onderliggend aan het besluit van 18 november 2008. Appellant acht echter wel nog enig procesbelang aanwezig omdat hij van mening is dat het besluit van 18 november 2008 niet terecht was, dat appellant een en ander uitvoerig aan de kaak heeft gesteld en dat het College niet heeft gemotiveerd waarom de verplichtingen verzwaard moesten worden. Appellant ziet daarom redenen om het College te veroordelen in de kosten van de procedure namelijk de kosten van de eigen bijdrage en het griffierecht. Appellant acht verder enig belang aanwezig omdat hij van mening is dat, in een eventuele volgende (bezwaar)procedure, de medische onderbouwing onderliggend aan het besluit van 18 november 2008 weer volledig getoetst moet kunnen worden.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 5 maart 2008, LJN BC5924, 9 juni 2009, LJN BJ0878, en 24 november 2010, LJN BO4946) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

5.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover van belang, is de belanghebbende vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden. Het tweede lid van dit artikel biedt het College de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen als bedoeld in het eerste lid, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

5.3. Nu de WWB slechts voorziet in tijdelijke ontheffingen van verplichtingen als hier bedoeld, moet worden aangenomen dat een besluit omtrent ontheffing van bepaalde verplichtingen waarvan de werkingsduur niet beperkt is, zijn werking verliest door een opvolgend besluit omtrent ontheffing van diezelfde verplichtingen vanaf de ingangsdatum van dat opvolgend besluit. Door het besluit van 12 mei 2011 is daarom in hoger beroep nog uitsluitend in geschil of het College appellant vanaf 2 april 2008 tot 12 mei 2011 de arbeidsverplichtingen mocht opleggen als onder 1.2 genoemd.

5.4. Aangezien aan appellant geen maatregel is en zal worden opgelegd in verband met het niet voldoen aan de arbeidsverplichtingen in de onder 5.3 genoemde periode en verder niet in geschil is dat appellant geen belang meer heeft bij een oordeel van de Raad over de medische beoordeling onderliggend aan het besluit van 18 november 2008 en appellant evenmin schadevergoeding vordert, ziet de Raad niet in welk resultaat dat voor appellant feitelijk betekenis heeft, hij met de onderhavige procedure thans nog kan bereiken. Appellant heeft daarom geen actueel procesbelang meer bij een beoordeling van zijn hoger beroep. Mocht het College in de toekomst besluiten aan appellant alsnog arbeidsverplichtingen op te leggen, dan zal het College zich, mede gelet op het tijdsverloop, daarbij niet kunnen baseren op het medisch onderzoek dat voorafgaand aan het besluit van 18 november 2008 heeft plaatsgevonden. Appellant heeft alsdan de mogelijkheid de resultaten van een eventueel nieuw medisch onderzoek en de besluitvorming die daarop wordt gebaseerd (ten volle) aan te vechten.

5.5. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie de uitspraken van 27 mei 1997, LJN ZB6963 en 21 juli 2009, LJN BJ3666) kan geen procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten of griffierecht.

5.6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.5 vloeit voort dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en C. van Viegen en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) B. Bekkers.

HD