Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1219

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
10-2153 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Stopzetting van de bezoldiging. De Raad vindt geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van appellantes leidinggevende dat hij over de ziekmelding van appellante op 4 februari 2009 overleg heeft gepleegd met de bedrijfsarts, en dat deze in de door appellante naar voren gebrachte klachten geen reden zag anders te oordelen over de inzetbaarheid van appellante dan de dag ervoor. Daarmee is naar het oordeel van de Raad aan de voorwaarden van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder p, van het Bbp voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2153 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 maart 2010, 09/6000 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 30 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2011. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Dammingh, advocaat te Woerden. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Heukelom-Verhage, advocaat te ’s-Gravenhage en [naam leidinggevende], werkzaam bij de politieregio Haaglanden.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante is - nadat zij eerder tot 1 september 2003 werkzaam was geweest bij de politieregio Haaglanden - met ingang van 1 juni 2008 wederom in vaste dienst aangesteld en tewerkgesteld in de functie van [naam functie] bij het [naam afdeling]

1.2. Vanaf 6 juni 2008 volgde een periode van ziekmeldingen en gesprekken met de bedrijfsarts en de leidinggevende van appellante, [naam leidinggevende], waarna op 3 februari 2009 door de arbodienst in overleg met appellante een plan van aanpak is opgesteld. Daarin was opgenomen - voor zover hier van belang - dat vanaf 4 februari 2009 wordt begonnen met het verrichten van aangepaste werkzaamheden gedurende 3 x 2 uur per week en vanaf 9 februari 2009 gedurende 4 x 2 uur per week.

1.3. Op 4 februari 2009 heeft appellante zich per e-mailbericht bij haar leidinggevende ziek gemeld. Hierop heeft deze diezelfde dag gereageerd door aan appellante mee te delen dat na overleg met de bedrijfsarts haar ziekmelding niet is geaccepteerd. Er is geen wezenlijke verandering van de arbeidsgeschiktheid en de inzetbaarheid van appellante ten opzichte van 3 februari 2009 tijdens de vaststelling van het plan van aanpak. Uit coulance is echter besloten dat appellante nog geen aanvang neemt met haar re-integratie. Aan haar is opgedragen eerst op 9 februari 2009 te beginnen met haar aangepaste werkzaamheden, maar dan wel gedurende 4 x 2 uur per week. Op 9 februari 2009 is appellante zonder bericht niet op haar werk verschenen.

1.4. Bij besluit van 17 februari 2009 heeft de korpsbeheerder appellante meegedeeld dat ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder p, van het Besluit bezoldiging politie (hierna: Bbp) haar bezoldiging met ingang van 9 februari 2009 is stopgezet, omdat appellante op 9 februari 2009 niet het afgesproken re-integratietraject heeft hervat en haar ziekmelding van 4 februari 2009 niet is geaccepteerd. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 februari 2009 is bij besluit van

14 juli 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de korpsbeheerder heeft verzuimd om, alvorens het besluit tot stopzetting van de bezoldiging te nemen, appellante in de gelegenheid te stellen haar zienswijze daaromtrent naar voren te brengen. Aldus is gehandeld in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet hierin in dit geval geen aanknopingspunt voor vernietiging van het bestreden besluit gelegen. Hij overweegt daartoe dat appellante bij de hoorzitting in de bezwaarfase alsnog in de gelegenheid is geweest haar opvatting over stopzetting van de bezoldiging naar voren te brengen. Weliswaar heeft appellante hiermee niet de kans gehad om voorafgaand aan het besluit tot stopzetting van de bezoldiging naar voren te brengen dat zij zich op 4 februari 2009 wegens maagklachten heeft gemeld bij de eerste hulp van het ziekenhuis, maar dit acht de Raad niet van doorslaggevend belang, omdat het besluit tot stopzetting niet is gebaseerd op appellantes afwezigheid op 4 februari 2009 maar op haar wegblijven zonder enig bericht op 9 februari 2009. De Raad merkt op dat appellante eerst op 23 februari 2009 melding heeft gemaakt van haar ziekenhuisbezoek op 4 februari 2009.

3.2. De Raad stelt vast dat appellante heeft verzuimd haar arbeid te hervatten op het door de deskundige persoon bepaalde tijdstip en in de door deze persoon bepaalde mate, zoals aan haar opgedragen, te weten vanaf 9 februari 2009 gedurende vier dagen per week. In geschil is de vraag of appellante voor dat verzuim een door de deskundige persoon of de arbodienst als geldig erkende reden heeft opgegeven.

3.3. Appellante heeft aangevoerd dat zij op 9 februari 2009 niet haar werk is verschenen omdat zij toen nog ziek was. Dit had de korpsbeheerder kunnen weten omdat appellante zich op 4 februari 2009 heeft ziek gemeld. Appellante sluit niet uit dat haar ziekmelding door een deskundig persoon, te weten de bedrijfsarts, niet als geldig erkende reden is aangemerkt, maar acht het onaanvaardbaar dat de zienswijze van de bedrijfsarts niet op schrift is gesteld, zodat dit niet kan worden gecontroleerd.

3.4. De Raad volgt appellante hierin niet. In hetgeen door en namens appellante naar voren is gebracht vindt de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van appellantes leidinggevende dat hij over de ziekmelding van appellante op 4 februari 2009 overleg heeft gepleegd met de bedrijfsarts, en dat deze in de door appellante naar voren gebrachte klachten geen reden zag anders te oordelen over de inzetbaarheid van appellante dan de dag ervoor. Daarmee is naar het oordeel van de Raad aan de voorwaarden van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder p, van het Bbp voldaan. Appellante heeft geen enkel (medisch) stuk in geding gebracht op grond waarvan daarover anders gedacht zou kunnen worden. Het achteraf door appellante aangevraagde arbeidsdeskundigenoordeel van het UWV bevestigt dat appellante in staat moet worden geacht de aangepaste werkzaamheden - ten tijde hier in geding - te verrichten. Hieruit volgt dat de korpsbeheerder zich terecht bevoegd heeft geacht toepassing te geven aan de in 1.5 weergegeven - dwingend geformuleerde - bepaling.

3.5. Het hoger beroep van appellante slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

HD