Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1180

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
11-1255 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring beroep. De brief van 12 november 2010 bevat geen concrete beroepsgrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1255 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 februari 2011, 10/3687 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. Anik, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Namens appellante is mr. Anik verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 28 september 2010 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 juli 2010, waarbij het recht op bijstand vanaf 1 juli 2010 was opgeschort, niet-ontvankelijk verklaard. Aan het besluit op bezwaar ligt ten grondslag dat het College geen gebruik heeft willen maken van de bevoegdheid de bijstand in te trekken met ingang van de dag waarop het recht op bijstand was opgeschort en dat de bijstand, na deblokkering van de uitbetaling, vanaf 1 juli 2010 is uitbetaald, zodat in die zin is tegemoetgekomen aan het bezwaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 september 2010 niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het ingediende beroepschrift geen gronden bevat en dat appellante niet binnen de daartoe gestelde termijn beroepsgronden heeft ingediend. Appellante heeft weliswaar ter zitting het beroep met gronden onderbouwd, maar het is naar het oordeel van de rechtbank gelet op de goede procesorde niet mogelijk ter zitting beroepsgronden te formuleren.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante voert aan dat in de brief van 12 november 2010, en derhalve binnen de haar gestelde termijn, beroepsgronden zijn aangevoerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, bevat het beroepschrift gronden van het beroep. Artikel 6:6 van de Awb, voor zover hier van belang, bepaalt dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het herstel te verzuimen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2. Niet is in geschil dat het door de gemachtigde van appellante ingediende beroepschrift van 28 oktober 2010 geen gronden van beroep bevat. Bij brief van 3 november 2010 heeft de rechtbank de gemachtigde van appellante in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken de gronden van het beroep mee te delen. Daarin is tevens vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als appellante niet aan dit verzoek voldoet en ook niet binnen de gestelde termijn een verzoek om uitstel indient.

In reactie op dit schrijven heeft de gemachtigde van appellante bij brief van 12 november 2010, waarbij appellante als eiseres is aangeduid en het College als verweerder, de rechtbank bericht:

“De gronden van het beroepschrift zijn als volgt.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte het bezwaar op formele gronden niet ontvankelijk heeft verklaard.

Verweerder had het onderhavige bezwaarschrift niet niet-ontvankelijk dienen te verklaren maar gegrond dienen te verklaren en een nieuw besluit dienen te nemen. Dit heeft verweerder nagelaten. Verweerder had ook in dat geval bij een gegrond bezwaarschrift de proceskosten dienen uit te keren die eiseres heeft gemaakt. Op grond van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht had het bezwaar na een heroverweging gegrond verklaard dienen te worden.

Gelet op bovenstaande verzoekt eiseres uw rechtbank dan ook het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.”

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad worden in het algemeen geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaar- of beroepschrift (zie onder meer de uitspraken van 31 oktober 2007, LJN BB7463 en 2 juli 2009, LJN BJ2385). Dit brengt mee dat in de regel ook bij een in het beroepschrift gegeven summiere motivering van het beroep zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt echter niet weg dat het beroepschrift, hoe summier ook verwoord, een concrete beroepsgrond dient te bevatten. Een belanghebbende kan er dus niet mee volstaan mee te delen dat hij het niet eens met een bepaald besluit, maar hij dient tevens aan te geven op welk punt of welke punten en waarom hij het niet met dat besluit eens is.

4.4. Anders dan appellante is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de brief van 12 november 2010 geen concrete beroepsgrond bevat. De onder 4.2 aangehaalde passage van de brief van 12 november 2010 kan niet als zodanig worden aangemerkt. Daarin is aangevoerd dat appellante het niet eens is met de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift, maar niet waarom het College het bezwaarschrift niet niet-ontvankelijk, maar gegrond had moeten verklaren. In deze brief is niet aangevoerd dat appellante van mening is dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat het College had moeten overgaan tot vergoeding van de kosten die appellante in de bezwaarschriftprocedure heeft gemaakt. Daarbij merkt de Raad nog op dat, zoals de gemachtigde van appellante erkent, in de bezwaarschriftprocedure niet is verzocht om vergoeding van de kosten die appellante in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft gemaakt, zodat reeds op die grond ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor het College geen aanleiding bestond de gemaakte kosten te vergoeden.

4.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank bevoegd was om het beroep met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk te verklaren. De Raad is, gelet op de omstandigheid dat appellante in de beroepsprocedure werd bijgestaan door een advocaat, van oordeel dat de rechtbank in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.6. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

RS