Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1165

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
10-639 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet woonachtig op het opgegeven adres. Onderzoek: De verklaringen bieden onvoldoende grondslag voor het oordeel dat aannemelijk is dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode niet woonachtig was op het door hem aan het College opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

10/639 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2009, 09/567 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Verhoef, advocaat te Uithoorn, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verhoef. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdinge, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Ter zitting is als getuige gehoord [getu[getuige A] (hierna: [getuige A]) te Haarlem.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving in de periode van 13 april 1998 tot en met 8 oktober 2000 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

1.2. Naar aanleiding van een fraudemelding van de Sociale Recherche Haarlem dat appellant en [getuige A] sinds 29 januari 1997 een gezamenlijke huishouding zouden voeren op het woonadres van [getuige A] aan de [adres A] te [woonplaats] heeft de Sociale Recherche van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bestond onder meer uit dossieronderzoek, het opvragen van gegevens bij verschillende instanties, het horen van buurtbewoners en het verhoor van appellant en [getuige A]. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het proces verbaal van 24 april 2008. Op basis van dit onderzoek heeft het College bij besluit van 4 november 2008 de bijstand van appellant over de periode van 13 april 1998 tot en met 8 oktober 2000 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 21.219,16 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 12 januari 2009, nader gemotiveerd bij besluit van 10 februari 2009, heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 4 november 2008 ongegrond verklaard. Aan het besluit van 12 januari 2009 ligt ten grondslag dat appellant heeft verzwegen dat hij in de genoemde periode niet zijn woonplaats had op het door hem opgegeven adres[ adres B.] te [plaatsnaam].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

12 januari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zijn hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres aan de [adres B] te [plaatsnaam] en dat het College niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daar niet woonde.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat het recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 63 van de Abw, dient beantwoord te worden aan de hand van de feitelijke omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonplaats te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.2. De Raad stelt voorop dat het besluit tot intrekking van de bijstand over de periode van 13 april 1998 tot en met 8 oktober 2000 een voor appellant belastend besluit is, zodat het aan het College is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en op het College de bewijslast rust voor de stelling dat appellant niet op het door hem opgegeven adres woonde.

4.3. De gemachtigde van het College heeft ter zitting verklaard dat het standpunt van het College dat appellant in genoemde periode niet woonde in de gemeente Amsterdam is gebaseerd op de verklaring van de hoofdbewoner van het adres [adres B] te [plaatsnaam], [naam T.] (hierna: [T.]) en de getuigenverklaringen van de toenmalige buurtbewoonsters [n[L.] (hierna: [L.]) en [naam Z.] (hierna: [Z.]).

4.4. De Raad is van oordeel dat deze verklaringen onvoldoende grondslag bieden voor het oordeel dat aannemelijk is dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode niet woonachtig was op het door hem aan het College opgegeven adres, en overweegt hiertoe het volgende. [T.] heeft zowel telefonisch op 19 april 2007 als tijdens zijn verhoor op 26 maart 2008 verklaard dat appellant enige tijd, een of twee jaar, in zijn huis aan de tweede [ adres B.] te [plaatsnaam] heeft gewoond. Het proces-verbaal van het verhoor van 26 maart 2008 geeft naar het oordeel van de Raad onvoldoende aanleiding om te concluderen dat [T.] van deze verklaring is teruggekomen. [T.] heeft verklaard dat zij in die tijd beiden vrachtwagenchauffeur waren en daardoor veel van huis waren, waardoor hij appellant in die twee jaar in totaal slechts twee weken op zijn adres heeft gezien. Met de verklaring van [T.] dat hij verder geen antwoord kan geven op de vraag of appellant daadwerkelijk op zijn woonadres verbleef omdat zij elkaar thuis eigenlijk niet zagen, is niet gezegd dat appellant er tijdens de afwezigheid van [T.] niet heeft verbleven. [T.] heeft voorts desgevraagd verklaard dat de reden van inschrijving van appellant op zijn adres is geweest dat hij een postadres nodig had. Ook met deze verklaring over de reden van inschrijving is niet gezegd dat appellant niet op het adres heeft gewoond. Hetzelfde geldt voor de verklaring van [T.] dat appellant de afgesproken huurprijs van fl. 250,-- soms niet en soms slechts gedeeltelijk heeft voldaan en hij eigenlijk nooit over een eigen kamer heeft beschikt. De omstandigheid dat de buurtbewoonsters [L.] en [Z.] appellant niet herkenden van de getoonde foto rechtvaardigt, gelet op het ruime tijdsverloop en de omstandigheid dat appellant als vrachtwagenchauffeur slechts onregelmatig aanwezig zal zijn geweest, evenmin de conclusie dat appellant ten tijde van belang niet op het door hem opgegeven adres heeft gewoond.

4.5. Het voorgaande brengt mee dat de intrekking van de bijstand niet in stand kan blijven. Daarmee is tevens de grondslag aan de terugvordering komen te ontvallen. De rechtbank heeft een en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 12 januari 2009, zoals aangevuld bij brief van 10 februari 2009 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 4 november 2008 te herroepen, omdat dit besluit op dezelfde onhoudbare gronden berust en niet aannemelijk is dat deze gebreken nog kunnen worden hersteld.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Over het verzoek van de gemachtigde van appellant om een hogere wegingsfactor toe te kennen in verband met de zwaarte van de zaak merkt de Raad op dat een hogere wegingsfactor slechts wordt gehanteerd bij een van het gemiddelde afwijkende juridische en/of feitelijke complexiteit van de zaak. Daarvan is hier geen sprake.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 12 januari 2009;

Herroept het besluit van 4 november 2008;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.518,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

HD