Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
09-6814 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Verzwegen vermogen. Het College heeft bij besluit van 4 juli 2008 het bezwaar van appellante van 20 februari 2008 tegen de brief van 14 februari 2008 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 14 februari 2008 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft geoordeeld dat het College het bezwaar terecht en op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad stelt vast dat appellante zich in hoger beroep niet tegen dit oordeel heeft gekeerd. De stelling van appellante dat zij wel bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 14 november 2006 is niet relevant voor het oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van 4 juli 2008 en daarmee voor de beoordeling van het hoger beroep. De overwegingen die de rechtbank aan die, ook in beroep aangevoerde, stelling van appellante heeft gewijd, dienen als overwegingen ten overvloede te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6814 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 november 2009, 08/857 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J.R. Oude Middendorp, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Oude Middendorp en [naam E.]. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.E. Assink-Meijer, werkzaam bij de gemeente Enschede.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 juni 1984 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 14 november 2006 heeft het College de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 september 2006 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 72.119,55 van haar teruggevorderd. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat uit informatie van de Belastingdienst is gebleken dat appellante gegevens over haar vermogen heeft verzwegen, waardoor het recht op bijstand vanaf 1 januari 2001 niet kan worden vastgesteld.

1.3. Bij brief van 14 februari 2008 heeft het College de terugvorderingsgrond gewijzigd.

1.4. Bij brief van 20 februari 2008 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de brief van 14 februari 2008.

1.5. Bij besluit van 4 juli 2008 heeft het College het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 14 november 2006 over de intrekking en terugvordering van de bijstand en dat de brief van 14 februari 2008 ten opzichte van het besluit van 14 november 2006 geen andere rechtsgevolgen in het leven roept en daarom ook geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

4 juli 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellante aangevoerd dat zij wel bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 14 november 2006 dan wel dat het College op grond van de verschillende gesprekken van appellante met een medewerker van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Enschede duidelijk moet zijn geweest dat appellante zich niet kon vinden in het besluit van 14 november 2006.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het College heeft bij besluit van 4 juli 2008 het bezwaar van appellante van 20 februari 2008 tegen de brief van 14 februari 2008 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 14 februari 2008 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft geoordeeld dat het College het bezwaar terecht en op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad stelt vast dat appellante zich in hoger beroep niet tegen dit oordeel heeft gekeerd.

4.2. De stelling van appellante dat zij wel bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van

14 november 2006 is niet relevant voor het oordeel over de rechtmatigheid van het besluit van 4 juli 2008 en daarmee voor de beoordeling van het hoger beroep. De overwegingen die de rechtbank aan die, ook in beroep aangevoerde, stelling van appellante heeft gewijd, dienen als overwegingen ten overvloede te worden aangemerkt.

4.3. Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R. Scheffer.

HD