Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1156

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
09/232 WWB-T + 09/233 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet aanleiding terug te komen van het in zijn eerdere rechtspraak (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 12 januari 2010, BK 8934) gevolgde uitgangspunt dat in geval van gebreken in de rechtsmiddelenvoorlichting termijnoverschrijding in beginsel niet verschoonbaar is. De Raad is thans van oordeel dat het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit of een uitspraak in beginsel leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is. Dit lijdt uitzondering indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen. Berekening van de inhoudingen over de maanden december 2007 en januari 2008. Tussenuitspraak.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/232 WWB + 09/233 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] (hierna: appellant) en [Appe[appellante] (hierna: appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 december 2008, 08/631 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerlen (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011. Appellanten zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J.A. Franssen, werkzaam bij de gemeente Heerlen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen ten tijde hier van belang in aanvulling op de uitkering van appellante ingevolge de Werkloosheidswet (WW) bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2. Op 19 februari 2008 hebben appellanten, onder overlegging van de uitkeringsspecificatie WWB over de maand januari 2008, bezwaar gemaakt tegen de inhoudingen op hun bijstandsuitkering in verband met de verrekening van de WW-uitkering over de maanden januari 2007 tot en met januari 2008.

1.3. Nadat appellanten beroep hadden ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op hun bezwaar, heeft het College bij besluit van 6 juni 2008 het bezwaar van appellanten voor zover dat is gericht tegen de inhoudingen op de bijstandsuitkering over de maanden januari 2007 tot en met november 2007 wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft het College het bezwaar van appellanten tegen de inhoudingen op de bijstandsuitkeringen over de maanden december 2007 en januari 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het College het volgende overwogen:

“Het hiernavolgende berekeningsoverzicht biedt inzicht in de over de uitkeringsperiodes december 2007 en januari 2008 verrichte inhoudingen van de aan mevrouw [appellante] toekomende werkloosheidsuitkering. Uitgegaan is van de in december 2007 (..) geldende WW-norm van € 558,40 per 4 weken, respectievelijk de in januari 2008 geldende WW-norm van € 564,-- per 4 weken.

Periode uitkeringsdgn WW excl vt. te korten WW (incl v ) feitelijk gekort

december 2007 21 € 586,32 € 619,65 € 619,65

januari 2008 23 € 648,60 € 686,66 € 688,17”

Het College heeft daarbij nog opgemerkt dat de korting over januari 2008 € 1,51 te hoog was in verband met het feit dat de WW-betaalspecificatie over januari 2008 pas eind februari 2008 beschikbaar was, zodat eerst een voorlopige korting was toegepast.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het uitblijven van een besluit als bedoeld in artikel 6:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 6 juni 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het College terecht besloten om appellanten niet-ontvankelijk te verklaren in hun bezwaar tegen de uitkeringsspecificaties van januari 2007 tot en met november 2007. Over de uitkeringsspecificaties van december 2007 en januari 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze geen verdere bespreking behoeven, omdat appellanten daartegen geen gronden hebben aangevoerd.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het beroep ongegrond is verklaard. Zij hebben aangevoerd dat er iedere maand een ander bedrag op de uitkering werd ingehouden, terwijl het bedrag aan WW-uitkering wel elke vier weken hetzelfde was. Ook als rekening wordt gehouden met het feit dat de vier-wekelijkse WW-uitkering moet worden omgerekend naar een bedrag per maand om op de bijstand ingehouden te kunnen worden en als de WW-uitkering wordt vermeerderd met de vakantietoeslag, wordt er naar hun mening te veel ingehouden. Appellanten hebben hierover al in een vroeg stadium geklaagd bij de bijstandsconsulente, die een en ander zou uitzoeken. Daarop is geen reactie gekomen. Ook toen appellanten een nieuwe bijstandsconsulent kregen hebben zij, zowel mondeling als schriftelijk, aangegeven dat er iets niet klopte en is hen toegezegd dat het zou worden uitgezocht. Ter onderbouwing hiervan hebben appellanten een afschrift overgelegd van een maandelijkse inkomstenverklaring, ondertekend op 23 augustus 2007, waarin zij erop hebben gewezen dat de vermelde inkomsten (€ 675,--) niet kloppen, alsmede een brief van het Bureau Werk en Inkomen van 28 augustus 2007 over herrekening van de over juni en juli 2007 toegepaste kortingen. Appellanten hebben verder aangevoerd dat er geen bezwaarclausule staat onder de uitkeringsspecificaties en dat zij niet wisten dat zij een bezwaarschrift moesten indienen. Zij zijn van mening dat het College, aangezien wel duidelijk was dat zij het niet eens waren met de hoogte van de inhoudingen, hen behulpzaam had moeten zijn door te wijzen op de bezwaarprocedure.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat de - steeds wisselende - inhoudingen over de maanden januari 2007 tot en met januari 2008 op grond van artikel 79 van de WWB voor de toepassing van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb moeten worden aangemerkt als besluiten.

De ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de inhoudingen over de maanden januari 2007 tot en met november 2007

4.2.1. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.2. De Raad ziet aanleiding terug te komen van het in zijn eerdere rechtspraak (bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 12 januari 2010, BK 8934) gevolgde uitgangspunt dat in geval van gebreken in de rechtsmiddelenvoorlichting termijnoverschrijding in beginsel niet verschoonbaar is. De Raad is thans van oordeel dat het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit of een uitspraak in beginsel leidt tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, mits de belanghebbende daarop een beroep doet en stelt dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is. Dit lijdt uitzondering indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen.

4.2.3. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat ervan uit dat appellanten het bezwaarschrift tegen de uitkeringsspecificaties van de maanden januari 2007 tot en met november 2007 na afloop van de termijn hebben ingediend. Evenmin is in geschil dat op die uitkeringsspecificaties een rechtsmiddelenclausule als bedoeld in artikel 3:45 van de Awb ontbreekt. Appellanten hebben daarop een beroep gedaan en hebben gesteld dat de termijnoverschrijding daarvan een gevolg is. Naar het oordeel van de Raad kan voorts niet redelijkerwijs worden aangenomen dat appellanten wisten dat zij binnen een bepaalde termijn tegen de betreffende uitkeringsspecificaties bezwaar moesten maken. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat het College de uitkeringsspecificaties niet heeft gepresenteerd als voor bezwaar vatbare besluiten. Ook uit de in overweging 3 weergegeven acties die appellanten - met onderbouwing - stellen te hebben ondernomen om hun bedenkingen tegen de inhoudingen tot uitdrukking te brengen blijkt niet dat zij wisten dat zij tijdig bij het College een bezwaarschrift tegen de uitkeringsspecificaties moesten indienen. De Raad acht ten slotte van belang dat uit de gedingstukken niet blijkt dat appellanten al vóór het einde van de termijn om tegen de uitkeringsspecificaties van de maanden januari 2007 tot en met november 2007 bezwaar te maken werden bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener.

4.2.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellanten in verzuim zijn geweest, zodat

niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren van 19 februari 2008 tegen de uitkeringsspecificaties van de maanden januari 2007 tot en met november 2007 achterwege had dienen te blijven. Dit betekent dat het besluit van 6 juni 2008, voor zover dit ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren tegen de uitkeringsspecificaties van de maanden januari 2007 tot en met november 2007, wegens strijd met artikel 6:11 van de Awb dient te worden vernietigd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat ook de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De berekening van de inhoudingen over de maanden december 2007 en januari 2008

4.3.1. De Raad kan het oordeel van de rechtbank, dat appellanten geen gronden hebben aangevoerd tegen de inhoudingen zoals die blijken uit de uitkeringsspecificaties over de maanden december 2007 en januari 2008, niet onderschrijven. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat het bezwaarschrift juist was ingediend omdat de steeds wisselende inhoudingen op de bijstandsuitkering onduidelijk waren, en dat ter zitting van de rechtbank ook is verwezen naar hetgeen in bezwaar was aangevoerd.

4.3.2. In zoverre dient de aangevallen uitspraak dan ook tevens te worden vernietigd op grond van artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad thans een oordeel geven over het in het besluit van 6 juni 2008 opgenomen berekeningsoverzicht van de inhoudingen over de maanden december 2007 en januari 2008.

4.3.3. Naar het oordeel van de Raad biedt dit berekeningsoverzicht niet het noodzakelijke inzicht in de berekening van de hoogte van de inhoudingen, terwijl de vertegenwoordiger van het College ter zitting van de Raad hierover ook geen nadere toelichting heeft kunnen geven. Zo is niet duidelijk of de WW-uitkering wordt verrekend met de bijstand over dezelfde of een volgende maand, op welke wijze de vierwekelijkse WW-uitkering wordt omgerekend naar een op de bijstand in te houden bedrag per maand, wat daarbij de rol is van het aantal uitkeringsdagen en met welk percentage vakantietoeslag de WW-uitkering wordt verhoogd, terwijl een verklaring voor de verschillen tussen de op de uitkeringsspecificaties voorkomende bedragen aan "totaal inkomsten (incl. vt)" en de in het berekeningsoverzicht onder "te korten WW (incl vt)" genoemde bedragen ontbreekt.

4.3.4. Het onder 4.3.3 overwogene betekent dat het besluit van 6 juni 2008 voor zover dit ziet op de inhoudingen over de maanden december 2007 en januari 2008 een deugdelijke motivering ontbeert en in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

Bestuurlijke lus

4.4.1. Nu het besluit op bezwaar van 6 juni 2008 in zijn geheel zal moeten worden vernietigd, dient de Raad aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven.

4.4.2. In het voorliggende geval ziet de Raad, gelet op het gegeven dat thans te weinig gegevens beschikbaar zijn om zelf in de zaak te voorzien, aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij de verrekening van de WW-uitkering met de bijstand over de maanden januari 2007 tot en met januari 2008 op een begrijpelijke wijze inzichtelijk wordt gemaakt en de onder 4.3.3 genoemde vragen worden beantwoord.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het College op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 6 juni 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

RS