Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1150

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
09-1627 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand omdat onderzoek heeft uitgewezen dat appellant geen hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres en hij derhalve onjuiste informatie over zijn woonadres heeft gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

09/1627 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2009, 08/2951 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2011. Namens appellant is mr. Willering verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 19 februari 2008 gemeld voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand.

1.2. Naar aanleiding van de opgave van appellant dat hij als alleenstaande woonachtig is op het adres [Adres A] in Amsterdam en dat op dit adres ook [naam A.] (hierna: [naam A.]) woont, hebben handhavingspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) een onderzoek ingesteld. Tijdens een gesprek op kantoor van de DWI op 22 april 2008 heeft appellant verklaard dat [naam A.] al meer dan een jaar in de woning verblijft en dat zij op het huis heeft gepast in de tijd dat hij in Suriname verbleef. Volgens appellant vertrekt [naam A.] in ieder geval aan het eind van de maand en gaat zij dan naar haar moeder. Appellant heeft verklaard dat hij sinds zijn terugkeer uit Suriname begin december 2007 drie maanden bij zijn neef in Zoetermeer heeft gewoond en dat hij sinds die tijd soms twee keer per week in zijn woning in Amsterdam verblijft. De andere dagen van de week is hij bij zijn moeder en zus in Den Haag of bij zijn zus in Zoetermeer. Als [naam A.] in de woning verblijft, is appellant bij zijn moeder of zus in Den Haag. Aansluitend heeft een huisbezoek plaatsgevonden aan de betreffende woning, die bestaat uit een woonkamer, een slaapkamer, een badkamer en een keuken. Tijdens het huisbezoek heeft appellant veel persoonlijke bezittingen van [naam A.], waaronder kleding en toiletartikelen, aangewezen. Daarbij heeft appellant herhaald dat [naam A.] nog tot het einde van de maand in de woning zal zijn en verklaard dat hij dan weer zelf in de woning gaat verblijven. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 23 april 2008.

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 29 april 2008 de aanvraag af te wijzen op de grond dat onderzoek heeft uitgewezen dat appellant geen hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres en hij derhalve onjuiste informatie over zijn woonadres heeft gegeven. Bij besluit van 16 juni 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 29 april 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juni 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat hij wel zijn hoofdverblijf heeft op het adres [Adres A] in [woonplaats]. Volgens appellant is hij na zijn terugkeer uit Suriname weer gewoon in zijn woning gaan wonen. In die woning heeft hij zijn persoonlijke verzorgingsartikelen en kleding en ontvangt hij zijn post. Volgens appellant had [naam A.] in de woning nog een aantal persoonlijke spullen, maar woonde zij niet meer in de woning.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat de te beoordelen periode in een geval als het onderhavige loopt vanaf de datum waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het primaire besluit, hier dus de periode van 19 februari 2008 tot en met 29 april 2008.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 10 mei 2011, LJN BQ4755, te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Waar het gaat om een aanvraag van bijstand dient de aanvrager aannemelijk te maken dat hij woont op het door hem opgegeven adres.

4.3. Uit de bevindingen van het verrichte onderzoek, waaronder de verklaring die appellant ten kantore van de DWI heeft afgelegd, blijkt dat appellant niet meer dan twee dagen per week op het opgegeven woonadres verbleef. Appellant heeft de op schrift gestelde verklaring ondertekend. Uit die verklaring en de tijdens het huisbezoek afgelegde verklaring blijkt tevens dat [naam A.] de woning eind april 2008 zou verlaten en dat appellant vervolgens weer in de woning zou gaan wonen. Anders dan appellant stelt heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat in de woning zijn persoonlijke verzorgingsartikelen en zijn kleding aanwezig waren. Zo heeft appellant tijdens het huisbezoek verklaard dat de spullen in de badkamer van [naam A.] zijn en dat hij zijn eigen tandenborstel heeft ingepakt, omdat hij voor een paar dagen naar zijn zus in Zoetermeer gaat. Voorts heeft appellant tijdens dat bezoek slechts enkele herenkledingstukken aangewezen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant gelet op deze onderzoekbevindingen niet aannemelijk gemaakt dat hij gedurende de hier te beoordelen periode woonachtig was op het adres [Adres A] in [woonplaats]. Daarbij tekent de Raad aan dat appellant de bevindingen van het onderzoek niet gemotiveerd heeft betwist.

4.4. Appellant heeft, door bij zijn aanvraag op te geven op het adres [Adres A] in [woonplaats] te wonen, de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Door deze schending kan het recht op bijstand van appellant niet worden vastgesteld. Het College heeft de aanvraag om bijstand dan ook terecht afgewezen.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat

de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

RS