Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
10-1752 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Onroerend goed in buitenland. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand is niet vast te stellen. Waarde van de woning. Appellant heeft geen inzicht gegeven in de wijze waarop hij de opbrengst van de verkoop van de woning (...) heeft aangewend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1752 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 15 februari 2010, 09/1441 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venray (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H.A. Bos, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 09/2009 WWB, plaatsgevonden op 17 mei 2011. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.J.M.S. Willems, werkzaam bij de gemeente Venray. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving vanaf 15 juni 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), aanvankelijk naar de norm voor gehuwden en vanaf 24 maart 1999 naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme melding eind 2006 dat appellant vanaf 1992/1993 een huis in Marokko bezit, heeft het Internationaal Bureau Fraude-informatie (hierna: IBF) op verzoek van het College een onderzoek ingesteld. Bij brief van 28 februari 2008 heeft het IBF het College geïnformeerd over de resultaten van een onderzoek dat de Nederlandse ambassade in Marokko heeft uitgevoerd. De ambassade heeft op 4 februari 2008 een rapport - met bijlagen - uitgebracht met daarin de conclusie dat appellant eigenaar is van een woning in Zeghangan, provincie Nador, waarvan de actuele waarde door een taxateur is vastgesteld op (omgerekend) € 55.000,--. Nadien heeft de ingeschakelde taxateur de waarde van de woning in 1997 berekend op een bedrag van € 46.000,--. Op basis van de bewijsstukken die appellant vervolgens heeft aangeleverd heeft het College vastgesteld dat appellant in 1997 twee schulden had van in totaal (omgerekend) € 16.818,17. Het College heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 1997 ook nog een schuld had van 50.000 Marokkaanse dirham (hierna: MAD) aan de Banque Populaire. Uit de door appellant verstrekte bewijsstukken is het College tevens gebleken dat appellant de woning op 31 augustus 2006 heeft verkocht voor 350.000 MAD (€ 31.570,--), dat hij in juni 2006 een perceel grond heeft gekocht voor (omgerekend) € 5.682,60 en dat hij dat perceel op 17 april 2007 weer heeft verkocht voor € 5.280,50. Het College heeft de betaling van de bijstand van appellant met ingang van 17 maart 2008 geblokkeerd. Met ingang van 28 augustus 2008 heeft het College aan appellant opnieuw bijstand uitbetaald.

1.3. Bij besluit van 13 maart 2009 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 15 juni 1997 tot 31 augustus 2006 ingetrokken op de grond dat hij in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen opgave heeft gedaan van zijn vermogen, dat in die periode de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen oversteeg. Het College heeft de bijstand van appellant over de periode van 31 augustus 2006 tot en met 27 augustus 2008 ingetrokken omdat appellant geen bewijzen heeft ingeleverd wat hij met de opbrengst van de verkoop van zijn woning heeft gedaan, waardoor het recht op bijstand vanaf 31 augustus 2006 niet is vast te stellen. Bij het besluit van 13 maart 2009 heeft het College tevens de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 april 2008 tot een bedrag van € 135.468,15 van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 1 september 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen besluit van 13 maart 2009 in zoverre gegrond verklaard dat de terugvordering is beperkt tot de gemaakte kosten van algemene en bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 31 mei 2000 en van 31 augustus 2006 tot 1 april 2008 tot een bedrag van in totaal € 53.684,02. Daarbij heeft het College in aanmerking genomen dat appellant op 15 juni 1997 beschikte over een vermogen van € 29.181,83 en dat als appellant in 1997 op correcte wijze melding zou hebben gemaakt van zijn vermogenspositie hij in de periode tot en met 31 mei 2000 op dit vermogen zou hebben ingeteerd totdat de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen was bereikt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

1 september 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het College ten onrechte is uitgegaan van de getaxeerde waarde van de woning van € 46.000,-- in 1997 en dat de waarde van dit pand niet hoger was dan 350.000 MAD (€ 30.610,--), de opbrengst bij de verkoop van de woning op 31 augustus 2006. In dit verband heeft appellant erop gewezen dat het onderzoek niet is uitgevoerd door de personen die in de rapportage van de Nederlandse ambassade van 4 februari 2008 staan vermeld, zodat ook de uitgevoerde taxatie frauduleus, onbetrouwbaar en onbruikbaar is. Voorts is appellant van mening dat het College bij de vaststelling van zijn vermogen per 15 juni 1997 ten onrechte de schuld van 50.000 MAD aan de Banque Populaire buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens appellant heeft hij de inlichtingenverplichting niet geschonden omdat zijn vermogen de grens van het vrij te laten vermogen nimmer heeft overschreden. Appellant betwist verder dat hij onvoldoende inlichtingen heeft verschaft over zijn vermogenssituatie in de periode van 31 augustus 2006 tot en met 27 augustus 2008 en wijst erop dat hij in die periode zijn schulden heeft afgelost. Appellant stelt zich subsidiair op het standpunt dat het College niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking van bijstand heeft kunnen overgaan, omdat inmiddels 10 jaar zijn verstreken na de aankoop van het onroerend goed en de overschrijding van de vermogensgrens heeft voortgeduurd tot 31 augustus 2006. Bovendien heeft het College bij de vaststelling van de eerste periode waarover de bijstand wordt teruggevorderd ten onrechte niet de factor 1,5 gehanteerd bij de intering van het vermogen. Ten slotte acht appellant het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat het College pas na drie jaar is overgegaan tot terugvordering.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de periode van 15 juni 1997 tot

31 augustus 2006 eigenaar is geweest van een woning in Marokko en dat hij daarvan nimmer melding heeft gemaakt aan het College. De Raad is van oordeel dat appellant daardoor, ongeacht de waarde van de woning, in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft gehandeld, aangezien vermogen in de vorm van onroerend goed onmiskenbaar van belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand.

4.2. In hetgeen appellant heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om de door het College aangehouden waarde van de woning in 1997 van € 46.000,-- voor onjuist te houden. De taxatie is op 26 oktober 2007 uitgevoerd door een beëdigd taxateur, die in het taxatierapport heeft gemotiveerd op welke wijze de berekende taxatiewaarde tot stand is gekomen. Nadien heeft deze taxateur de waarde van het pand in 1997 berekend. De omstandigheid dat de in de rapportage van de Nederlandse ambassade van 4 februari 2008 genoemde personen niet bij het onderzoek ter plaatse betrokken waren, doet niet af aan de waarde van de taxatie van de woning. Tegenover het uitgebrachte taxatierapport heeft appellant geen objectieve gegevens, bijvoorbeeld in de vorm van een eigen taxatierapport, ingebracht die twijfel doen rijzen aan de taxatie. Het gegeven dat appellant de woning op 31 augustus 2006 voor 350.000 MAD, volgens appellant omgerekend € 30.610,--, heeft verkocht brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Daarbij merkt de Raad op dat appellant in de bezwaarschriftprocedure heeft gesteld dat de woning na de verkoop is gerenoveerd, zodat de taxatie vanwege de renovatie hoger is uitgevallen dan de waarde ervan bij de verkoop, maar enig bewijs van die renovatie heeft hij niet geleverd. Appellant heeft tijdens een hoorzitting op 1 juli 2008 verklaard dat hij de woning in verband met een ontstane ruzie op korte termijn wilde verkopen, dat geïnteresseerden minder betalen als zij daarvan op de hoogte zijn en dat de woning niet door hem, maar door zijn schuldeisers is verkocht. Daaruit kan worden afgeleid dat de woning op 31 augustus 2006 voor een lager bedrag is verkocht dan de werkelijke waarde van het pand.

4.3. Ten bewijze van zijn schuld van 50.000 MAD aan de Banque Populaire heeft appellant een verklaring van deze bank van 15 juli 2007 ingeleverd, waaruit blijkt dat appellant op 14 december 1988 een krediet heeft verkregen ter hoogte van genoemd bedrag, terug te betalen in vaste termijnen. Het College stelt zich op het standpunt dat appellant met deze verklaring niet heeft aangetoond dat deze schuld op 15 juni 1997 nog (onverminderd) bestond en heeft deze schuld om die reden bij de vaststelling van het vermogen van appellant per die datum buiten aanmerking gelaten. De Raad kan dit standpunt onderschrijven. Hoewel het appellant duidelijk moet zijn geweest dat hij, bijvoorbeeld aan de hand van een nadere verklaring van genoemde bank of bankafschriften, diende aan te tonen dat hij, zoals gesteld, op 15 juni 1997 nog een schuld had van 50.000 MAD aan de bank, heeft hij daarvan geen bewijs overgelegd. De Raad is van oordeel dat het op de weg van appellant ligt de gestelde schuld op 15 juni 1997 aannemelijk te maken en dat hij daarin niet is geslaagd.

4.4. Het College heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat appellant, behoudens de aflossing van de twee leningen van in totaal € 16.818,17 op 22 februari 2007, geen inzicht heeft gegeven in de wijze waarop hij de opbrengst van de verkoop van de woning op 31 augustus 2006 heeft aangewend. De Raad kan ook dit standpunt onderschrijven. Daarbij tekent de Raad aan dat de opbrengst van de verkoop van de woning, ook verminderd met de beide schulden, nog hoger was dan de voor appellant op 31 augustus 2006 geldende grens van het vrij te laten vermogen. Bovendien is onduidelijk op welke wijze appellant de aankoop van het perceel grond in juni 2006 heeft gefinancierd en wat met de opbrengst van de verkoop van dit perceel op 17 april 2007 is gebeurd. Appellant heeft aldus de inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de periode van 31 augustus 2006 tot

28 augustus 2008, de datum met ingang waarvan aan appellant weer bijstand is verstrekt.

4.5. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat het College met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de bijstand van appellant over de periode van 15 juni 1997 tot en met 27 augustus 2008 in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot intrekking heeft kunnen besluiten. De Raad kan het standpunt van appellant dat het College niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot intrekking van bijstand heeft kunnen overgaan omdat inmiddels 10 jaar zijn verstreken na de aankoop van het onroerend goed en de overschrijding van de vermogensgrens heeft voortgeduurd tot 31 augustus 2006 niet volgen, reeds omdat appellant het College nimmer heeft geïnformeerd over zijn bezit in Marokko.

4.6. Uit 4.5 volgt dat het College met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 1 april 2008 van appellant terug te vorderen. Het College heeft van deze bevoegdheid in zoverre gebruik gemaakt dat de kosten van bijstand over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 31 mei 2000 en van 31 augustus 2006 tot 1 april 2008 van appellant zijn teruggevorderd. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot terugvordering heeft kunnen besluiten. Anders dan appellant meent, kan het College in een situatie als de onderhavige, waarbij vermogen is verzwegen en achteraf een theoretische berekening moet worden gemaakt van de periode waarin dat vermogen zou zijn ingeteerd, uitgaan van de toepasselijke bijstandsnorm en bestaat derhalve geen reden daarbij de factor 1,5 toe te passen. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 21 april 2009, LJN BH9423. Het beroep van appellant op het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel kan naar het oordeel van de Raad niet slagen, reeds omdat appellant zijn vermogen heeft verzwegen en het College pas na ontvangst van de brief van BFI van 28 februari 2008 daarvan op de hoogte is geraakt.

4.7. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B. Bekkers.

RS