Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1101

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
10-4868 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Herziening en terugvordering studiefinanciering. Begische nationaliteit. Wanneer de arbeidsverhouding van een communautair werknemer (i.c. de moeder van appellanten) eindigt, eindigt in beginsel ook de hoedanigheid van communautair werknemer, tenzij de betrokkene na het eindigen van de arbeidsverhouding daadwerkelijk nieuw werk zoekt, dan wel of sprake is van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid. De Raad is echter van oordeel dat de conclusie van de Minister ten aanzien van deze nieuwe juridische grondslag, inhoudende dat niet is gesteld of gebleken dat de moeder van appellanten daadwerkelijk naar nieuw werk in Nederland heeft gezocht vanaf 1 april 2009, onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij wijst de Raad erop dat de gemachtigde van de Minister desgevraagd ter zitting heeft aangegeven dat niet duidelijk is aan de hand van welke criteria het werknemerschap en het daadwerkelijk zoeken naar werk in gevallen als het onderhavige beoordeeld moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4868 WSF en 10/4869 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], (hierna: appellante) en

[appellant], (hierna: appellant), beiden wonende te [woonplaats], België, en hierna gezamenlijk ook te noemen: appellanten,

tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 22 juli 2010, 09/737 en 09/738 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, (hierna: de Minister).

Datum uitspraak: 8 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Bij brief van 28 februari 2011 heeft mr. Klinkert enige vragen van de Raad beantwoord.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft de Minister bij brief van 7 februari 2011 enige vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2011. Namens appellanten zijn daarbij verschenen mr. Klinkert, voornoemd en J. Paukes, werkzaam bij de Algemeen Christelijke Vakbond (ACV) te Hasselt. Voor de Minister is verschenen

mr. K.F. Hofstee.

II. OVERWEGINGEN

1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

1.1. Appellanten zijn [in] 1989 geboren, bezitten de Belgische nationaliteit en wonen te [woonplaats] in België. De moeder van appellanten is vanaf april 1971 in Nederland werkzaam geweest bij de ING-bank.

1.2. De Minister heeft op verzoek van appellanten met ingang van het studiejaar 2007/2008 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (hierna: Wsf 2000) aan hen toegekend ten behoeve van hun studies aan respectievelijk de XIOS Hogeschool en de Provinciale Hogeschool Limburg, beide te Hasselt in België.

Daarbij is de Minister er kennelijk van uitgegaan dat aan appellanten niet het nationaliteitsvereiste vermeld in artikel 2.2 van de Wsf 2000 tegengeworpen kon worden, omdat hun moeder toen werkneemster was in de zin van Verordening EG 1612/68 (hierna: Vo. 1612/68) in verband met haar werkzaamheden als grensarbeidster in Nederland en appellanten als gezinsleden op grond van artikel 7, tweede lid, van Vo 1612/68 recht hadden op dezelfde sociale voordelen, waartoe studiefinanciering behoort, als nationale werknemers.

1.3. Bij brief van 3 mei 2009 heeft de moeder van appellanten aan de Minister medegedeeld dat zij vanaf 1 april 2009 niet meer in Nederland werkt. Naar aanleiding van vragen van de Minister zijn nadere gegevens overgelegd omtrent de beëindiging van de dienstbetrekking van de moeder van appellanten met de ING-bank. Uit die gegevens blijkt dat op 30 januari 2009 een beëindigingsovereenkomst is opgemaakt per 1 april 2009, waarbij aan de moeder van appellanten een schadeloosstelling is toegekend. Het Uwv heeft naar aanleiding van deze overeenkomst aan de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te België medegedeeld dat naar Nederlands recht een opzegtermijn van vier maanden in acht genomen had moeten worden en dat daarom in Nederland eerst met ingang van 1 juni 2009 een werkloosheidsuitkering aan de moeder van appellanten toegekend zou zijn. In België is met ingang van 1 juni 2009 een uitkering als werkloze toegekend aan de moeder van appellanten.

1.4. Bij besluiten van 31 juli 2009 heeft de Minister aan appellanten medegedeeld dat zij vanaf 1 april 2009 geen recht meer hebben op een studietoelage en een OV-vergoeding, omdat zij niet aan het nationaliteitsvereiste van artikel 2.2 van de Wsf 2000 voldoen. Voorts is medegedeeld dat de te veel ontvangen toelagen en OV-vergoedingen ad in totaal € 694,16 per persoon zijn omgezet in een kortlopende schuld.

1.5. De namens appellanten tegen deze besluiten gemaakte bezwaren zijn door de Minister bij beslissingen op bezwaar van 5 oktober 2009 ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat de moeder van appellanten met ingang van 1 april 2009 niet langer aangemerkt kan worden als migrerend werknemer als bedoeld in Vo. 1612/68 omdat zij niet meer werkzaam is in Nederland, zodat vanaf die datum ook geen aanspraak meer bestaat op sociale voordelen vanuit Nederland als bedoeld in artikel 7 van Vo. 1612/68, zoals de studiefinanciering.

2. De rechtbank heeft de beroepen van appellanten in de aangevallen uitspraken ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) blijkt dat bepaalde sociale voordelen als bedoeld in artikel 7 van Vo. 1612/68 ook na beëindiging van het werknemerschap behouden blijven, voor zover sprake is van een nauwe samenhang met de voormalige arbeidsrelatie, maar dat studiefinanciering daartoe niet behoort.

3.1. Namens appellanten is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat hun moeder vanaf 1 april 2009 niet langer werkneemster in de zin van Vo. 1612/68 was. Daarbij is erop gewezen dat de moeder van appellanten onvrijwillig is ontslagen, dat zij nog werk zoekt, ook op de Nederlandse arbeidsmarkt, en dat zij alleen op grond van Verordening EG 1408/71 (Vo. 1408/71) genoodzaakt was in België een werkloosheidsuitkering aan te vragen. Tevens is in dit verband verwezen naar het arrest van het Hof van 31 mei 2001 (C-43/99, Leclere), waaruit volgens appellanten blijkt dat degene die actief naar werk zoekt, beschouwd dient te worden als werknemer in de zin van Vo. 1612/68. Voorts is subsidiair aangevoerd dat appellanten als gezinsleden van een grensarbeider recht hebben op behoud van het hen toegekende sociaal voordeel en dat de beëindiging van de studiefinanciering omdat hun moeder een Belgische werkloosheidsuitkering ontvangt, in strijd is met artikel 12 EG (thans: 18 VWEU).

3.2. De Minister heeft in hoger beroep aangevoerd dat gesteld noch gebleken is dat de moeder van appellanten hier te lande naar werk zoekt, zodat niet geconcludeerd kan worden dat zij nog als werkneemster bestempeld kan worden. Voorts heeft de Minister nader toegelicht dat als de moeder van appellanten een Nederlandse werkloosheidsuitkering zou hebben ontvangen, de studiefinanciering niet zou zijn beëindigd.

3.3. Ter zitting van de Raad is naar aanleiding van vragen medegedeeld dat de beëindiging van de studiefinanciering over de maanden april en mei 2009 niet wordt gehandhaafd, nu de dienstbetrekking van de moeder van appellanten eerst per 1 juni 2009 beëindigd had mogen worden en aan haar eerst per die datum een werkloosheidsuitkering is toegekend. Voorts is namens appellanten ter zitting verklaard dat hun moeder nog een Belgische werkloosheidsuitkering ontvangt en dat zij bij het zoeken naar werk begeleid wordt door een coach van de Belgische Rijksdienst.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt allereerst vast dat ter zitting namens de Minister is verklaard dat de bestreden besluiten niet worden gehandhaafd, voor zover daarbij de studiefinanciering over de maanden april en mei 2009 is beëindigd, nu de arbeidsverhouding van de moeder van appellanten gedurende die maanden nog geacht moet worden te hebben voortgeduurd zodat zij toen in ieder geval nog werkneemster was in de zin van Vo. 1612/68. Dit betekent dat de bestreden besluiten reeds op deze grond niet in stand kunnen blijven.

4.2. Voorts stelt de Raad vast dat de Minister de juridische grondslag waarop de beëindiging van de studiefinanciering is gebaseerd in de loop van de procedures in hoger beroep heeft gewijzigd. In de bestreden besluiten is de Minister ervan uitgegaan dat de moeder van appellanten vanaf het eindigen van haar dienstbetrekking in Nederland niet langer werkneemster was in de zin van Vo. 1612/68. Hetgeen namens appellanten onder verwijzing naar diverse arresten van het Hof was aangevoerd heeft de Minister toen niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De rechtbank heeft vervolgens de door de Minister gekozen juridische grondslag onderschreven. Eerst in hoger beroep heeft de Minister naar aanleiding van vragen van de Raad aangegeven nader van mening te zijn dat ook iemand die na het eindigen van zijn dienstbetrekking daadwerkelijk naar werk zoekt nog als werknemer in de zin van Vo. 1612/68 aangemerkt moet worden.

4.3. De Raad onderschrijft dit nadere standpunt van de Minister. Uit zowel het arrest van het Hof van 12 mei 1998 (C-85/96, Martinéz-Sala) als het hiervoor genoemde arrest Leclere vloeit immers voort dat wanneer de arbeidsverhouding van een communautair werknemer eindigt, in beginsel ook de hoedanigheid van communautair werknemer eindigt, tenzij de betrokkene na het eindigen van de arbeidsverhouding daadwerkelijk nieuw werk zoekt, dan wel of sprake is van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid. De Raad is echter van oordeel dat de conclusie van de Minister ten aanzien van deze nieuwe juridische grondslag, inhoudende dat niet is gesteld of gebleken dat de moeder van appellanten daadwerkelijk naar nieuw werk in Nederland heeft gezocht vanaf 1 april 2009, onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Daarbij wijst de Raad erop dat de gemachtigde van de Minister desgevraagd ter zitting heeft aangegeven dat niet duidelijk is aan de hand van welke criteria het werknemerschap en het daadwerkelijk zoeken naar werk in gevallen als het onderhavige beoordeeld moeten worden.

4.4. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet de Minister op te dragen de hiervoor gesignaleerde gebreken in de bestreden besluiten te herstellen. Daarbij zal de Minister zich eerst dienen te beraden op de vraag aan de hand van welke uitgangspunten en criteria de in de rechtspraak van het Hof genoemde begrippen ‘daadwerkelijk zoeken naar werk’ en “naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid” moeten worden getoetst. Het is primair aan de Minister om zich daarover te beraden, doch de Raad wijst er nu reeds op dat deze begrippen niet alleen aan de hand van de Nederlandse werkloosheidswetgeving ingevuld kunnen worden, aangezien ze een communautaire betekenis hebben. Dit betekent dat waar mogelijk aansluiting gezocht zal moeten worden bij communautaire regelgeving waarin dezelfde of soortgelijke begrippen voorkomen, zoals onder meer in Richtlijn 2004/38. Voor zover daarin geen eenduidige oplossing kan worden gevonden, behoort in dit geval het zoeken van aansluiting bij de Belgische wetgeving tot de mogelijkheden, nu België het bevoegde land is om een werkloosheidsuitkering aan de moeder van appellanten toe te kennen en België in dat kader haar activiteiten met betrekking tot het zoeken naar werk gecontroleerd zal hebben. Voorts kan hierbij niet volstaan worden met een beoordeling van eventuele activiteiten gericht op alleen de Nederlandse arbeidsmarkt. Vervolgens zal de Minister moeten (laten) controleren of de moeder van appellanten aan de gestelde voorwaarden voldoet vanaf 1 juni 2009 en zo ja, of zij nadien tot een nader vast te stellen datum daaraan blijft voldoen. De Raad onderkent dat een controle van deze aspecten buiten Nederland voor de Minister wellicht ingewikkeld is, maar wijst erop dat de Minister hierbij gebruik zou kunnen maken van de Belgische en/of Nederlandse verbindingsorganen genoemd in Vo. 1408/71.

4.5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.4 is overwogen vloeit voort dat hetgeen namens appellanten is aangevoerd met betrekking tot het behoud en de nawerking van het sociaal voordeel en de mogelijke strijdigheid van de bestreden besluiten met artikel 18 VWEU, voorlopig nog geen bespreking behoeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt de Minister op om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) N.S.A. El Hana.

NK