Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1078

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
10-6235 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling. Zowel het schrijven van de gemachtigde van betrokkene van 8 februari 2011 als de schriftelijke beantwoording op 8 maart 2011 van een vraag van de Raad, komt op grond van de Bijlage A van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor vergoeding in aanmerking (beide proceshandelingen voor 1/2 punt).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6235 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om schadevergoeding van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

met als partijen:

betrokkene

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie, hierna: Staat).

Datum uitspraak: 8 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 8 juni 2007, 06/1664, in het geding tussen betrokkene en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bij uitspraak van 3 december 2010, LJN BO7178, heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad bepaald dat het onderzoek onder het in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft E.H. Linckens, werkzaam bij de Raad voor de rechtspraak, een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Desgevraagd heeft de gemachtigde van betrokkene, mr. E.R. Lambooy, advocaat te Utrecht, bij brief van 10 februari 2011, daarop schriftelijk gereageerd. Namens de Staat is hier weer op gereageerd bij brief van 1 maart 2011. Bij brief gedateerd 8 maart 2011 heeft mr. Lambooy een vraag van de Raad beantwoord.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) .

II. OVERWEGINGEN

1. Uit de onder I beschreven briefwisseling blijkt dat betrokkene en de Staat het er over eens zijn dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM met tien maanden is overschreden en dat de Staat voor deze overschrijding een schadevergoeding van € 1000,- verschuldigd is. Verder heeft de Staat onweersproken gesteld dat deze vergoeding betaalbaar is gesteld op 7 februari 2011.

2. Het geschil tussen betrokkene en de Staat heeft uitsluitend betrekking op de proceskosten. De Staat heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling, nu het onderhavige geschil direct valt onder het bereik van het beroep en er geen extra proceskosten zijn gemaakt. Namens betrokkene is naar voren gebracht dat er wel degelijk aanspraak bestaat op vergoeding van proceskosten in de onderhavige schadeprocedure.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. De Raad stelt vast dat tussen betrokkene en de Staat geen geschil meer bestaat over de door betrokkene verzochte schadevergoeding in verband met de overschrijding door de Staat van de redelijke termijn. Nu volgens vaste rechtspraak van de Raad geen procesbelang kan worden ontleend aan de door betrokkene verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten, dient het verzoek wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.2. De Raad kan de Staat niet volgen in zijn stelling dat in een procedure als de onderhavige geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 8 juni 2011, LJN BQ7792. Naar het oordeel van de Raad komen zowel het schrijven van de gemachtigde van betrokkene van 8 februari 2011 als de schriftelijke beantwoording op 8 maart 2011 van een vraag van de Raad, op grond van de Bijlage A van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor vergoeding in aanmerking (beide proceshandelingen voor 1/2 punt).

3.3. De Raad ziet aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 437,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzoek om toekenning van schadevergoeding niet-ontvankelijk;

Veroordeelt de Staat in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2011.

(get.) H.J. Simon.

(get.) R.L. Rijnen.

TM