Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
10-2500 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om op grond van de Wuv in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. De Raad acht het bestreden besluit op grond van de adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid van die medische adviezen te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2500 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Spanje), (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 30 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die Wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 maart 2010, kenmerk BZ 488668, JZ/K70/2010, verder: bestreden besluit. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2011. Daar is appellant niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten.

1.1. Appellant, geboren in 1941 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in april 2009 bij verweerder een aanvraag ingediend om op grond van de Wuv in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.

1.2. Bij besluit van 13 oktober 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder op de aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen dat geen aanleiding bestaat om appellant, die zelf geen vervolging heeft ondergaan, met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv met de vervolgde gelijk te stellen nu bij appellant geen sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het overlijden van zijn vader tengevolge van diens vervolging.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Appellant betwist niet dat hij geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of verweerder appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wuv gelijk had moeten stellen met de vervolgde.

2.2. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wuv kan verweerder een betrokkene met de vervolgde gelijkstellen als het niet toepassen van de Wuv een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Bij het gebruik maken van deze discretionaire bevoegdheid hanteert verweerder in gevallen als dat van appellant een vaste richtlijn. Deze houdt in dat het overlijden van een ouder tijdens de vervolging aanleiding kan vormen tot gelijkstelling, indien bij de aanvrager sprake is van ziekten of gebreken die redelijkerwijs verband houden met het omkomen van deze ouder.

2.3. Verweerder heeft in het geval van appellant niet van zijn bevoegdheid tot gelijkstelling gebruik gemaakt, omdat naar zijn oordeel het vereiste verband ontbreekt tussen het omkomen van appellants vader ten gevolge van zijn vervolging en het ontstaan van de bij appellant aanwezige psychische klachten.

2.4. Het standpunt van verweerder is in overeenstemming met medische adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten met name op door één van deze adviseurs, de arts D. Gaasbeek, ingesteld medisch onderzoek van appellant. In de adviezen is geconcludeerd dat de bij appellant aanwezige psychische klachten zijn veroorzaakt door een onrustige en niet liefdevolle jeugd, gekenmerkt door gebrek aan moederliefde, opgroeien in kindertehuizen en bij pleegouders, en dat die klachten niet gerelateerd zijn aan het omkomen en gemis van zijn vader.

2.5. De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd. In de voorhanden zijnde medische gegevens heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid van die medische adviezen te twijfelen.

3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD