Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
10-6078 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor toegang tot de maatschappelijke opvang. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel toegelaten te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6078 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2010, 10/4333 en 10/4334 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Namens appellant is verschenen mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. Cerezo-Weijsenfeld. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Veldstra en F.H.W. Fris.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1951 in Suriname, stond in de periode van 2 september 1974 tot 5 december 1979 ingeschreven in diverse bevolkingsregisters in Nederland. Op 5 december 1979 is appellant vertrokken met onbekende bestemming. Vanaf 24 mei 1983 is appellant opgenomen in de Surinaamse bevolkingsadministratie. Het verzoek van appellant tot vaststelling dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit is door de rechtbank ’s-Gravenhage afgewezen bij beschikking van 13 januari 1999. Bij beschikking van 6 maart 2008 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage een zelfde verzoek van appellant afgewezen. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 26 september 2008 het beroep tegen de beschikking van 6 maart 2008 verworpen. Appellant is bij besluit van 16 mei 2009 ongewenst verklaard in de zin van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 (verder: Vw 2000). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door de Staatssecretaris van Justitie bij besluit van 21 oktober 2009 ongegrond verklaard.

1.2. Op 26 februari 2010 heeft appellant verzocht toegelaten te worden tot de maatschappelijke opvang in de vorm van noodopvang.

1.3. Bij besluit van 21 mei 2010 heeft het College de aanvraag voor toegang tot de maatschappelijke opvang afgewezen, omdat hij de Surinaamse nationaliteit heeft en niet beschikt over de juiste verblijfsstatus.

1.4. Bij besluit van 27 augustus 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 augustus 2010 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank primair van belang geacht dat appellant een vreemdeling is die niet over een verblijfsrechtelijke titel beschikt. Omdat onvoldoende aannemelijk is dat appellant behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven, kan niet worden geoordeeld dat de weigering van het College om appellant toe te laten tot de maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen betrokken bij deze weigering en de particuliere belangen van appellant.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad is van oordeel, dat in het onderhavige geval sprake is van een verzoek om maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wmo. Onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 4.3 en 4.4 van de uitspraak van de Raad van 19 april 2010, LJN BM0956, stelt de Raad in het onderhavige geval vast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam bevoegd is een beslissing te nemen over de toelating tot maatschappelijke opvang in de vorm van daklozen opvang, welke beslissing dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste en tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2. De Raad stelt vervolgens eveneens onder verwijzing naar zijn voornoemde uitspraak van 19 april 2010, rechtsoverweging 4.6.3, vast dat de door appellant gevraagde voorziening geen individuele voorziening als bedoeld in de artikelen 5 en 8 van de Wmo is. Dit betekent dat voor de vraag of appellant aanspraak heeft op toelating tot de gevraagde opvang, de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 het in aanmerking te nemen beoordelingskader vormen.

4.3. Vaststaat dat appellant ten tijde in geding geen rechtmatig verblijf had in Nederland, zodat hij ingevolge artikel 11, eerste lid van de Vw 2000 en artikel 11, tweede lid, van de Vw 2000 geen aanspraak kon maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo in de gemeente Amsterdam. Het betekent voorts dat het standpunt van het College dat de aanvraag van appellant van 26 februari 2010 op die grond niet kan worden gehonoreerd, door de Raad wordt onderschreven.

4.4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het koppelingsbeginsel in zijn geval buiten toepassing dient te blijven wegens strijd met de artikel 3, 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.5. De Raad heeft reeds in vele uitspraken, onder meer in zijn uitspraak van 26 juni 2001 (LJN AB2276), en gepubliceerd in RSV 2001, 188, geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid. De Raad heeft in het kader van deze toetsing de doelstelling van de koppelingswetgeving zoals deze in de wetsgeschiedenis is neergelegd, steeds aanvaardbaar geacht. De Raad ziet geen reden om in de onderhavige situatie anders te oordelen.

4.6. De Raad dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de weigering van het College appellant in deze situatie toe te laten tot de maatschappelijke opvang een schending van artikel 8 EVRM oplevert. Zoals de Raad in de uitspraak van 22 december 2008 heeft overwogen, merkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als “the very essence” van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. (EHRM 27 mei 2008, LJN BD6647, in de zaak N. versus het Verenigd Koninkrijk).

4.7. De Raad acht primair van belang dat appellant een vreemdeling is die ten tijde in geding niet rechtmatig in Nederland verbleef. De Raad stelt voorts vast dat uit de in beroep overgelegde medische verklaringen van vertrouwensarts C. van Melle en zenuwarts H. Loen, beide van 21 mei 2010, welke verklaringen door de GGD zijn beoordeeld op 10 juni 2010, in onvoldoende mate naar voren komt dat de fysieke en psychische gezondheid van appellant substantieel wordt bedreigd wanneer hij verstoken blijft van opvang. Uit de voornoemde verklaringen kan worden afgeleid dat bij appellant bij longonderzoek afwijkingen zijn gevonden, die dienen te worden onderworpen aan een nader onderzoek alsmede dat er mogelijk sprake is van een aanpassingsstoornis. Anders dan appellant heeft betoogd is de Raad van oordeel dat het op zijn weg ligt om met een begin van substantieel bewijs voor een geslaagd beroep op het bijzondere recht op bescherming ingevolge artikel 8 EVRM te komen. De Raad is van oordeel dat naar objectief medische maatstaf niet is aangetoond dat appellant gelet op zijn gezondheidstoestand ten tijde van belang behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van hun gezin- of privéleven. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel toegelaten te worden.

4.8. Uit het overwogene onder 4.6 volgt dat het beroep op artikel 8 van het EVRM niet slaagt. Gelet hierop behoeft het beroep op artikel 3 van het EVRM, dat een veel zwaardere norm stelt, verder geen bespreking.

4.9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Er is daarom geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD