Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR1060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
10-6150 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. De Raad is van oordeel dat naar objectief medische maatstaf met de verklaringen niet is aangetoond dat appellant gelet op zijn gezondheidstoestand ten tijde van belang behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van hun gezin- of privéleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6150 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 oktober 2010, 10/1049 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 29 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2011. Namens appellant is verschenen mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. Cerezo-Weijsenfeld. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Veldstra en F.H.W. Fris.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1951 in Suriname, stond in de periode van 2 september 1974 tot 5 december 1979 ingeschreven in diverse bevolkingsregisters in Nederland. Op

5 december 1979 is appellant vertrokken met onbekende bestemming. Vanaf 24 mei 1983 is appellant opgenomen in de Surinaamse bevolkingsadministratie. Het verzoek van appellant tot vaststelling dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit is door de rechtbank ’s-Gravenhage afgewezen bij beschikking van 13 januari 1999. Bij beschikking van 6 maart 2008 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage een zelfde verzoek van appellant afgewezen. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 26 september 2008 het beroep tegen de beschikking van 6 maart 2008 verworpen. Appellant is bij besluit van 26 mei 2009 ongewenst verklaard in de zin van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door de Staatssecretaris van Justitie bij besluit van 21 oktober 2009 ongegrond verklaard.

1.2. Op 21 december 2009 heeft appellant een aanvraag om bijstand ingediend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het College die aanvraag afgewezen op de grond dat appellant niet in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning.

1.3. Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

3 februari 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant voor de toepassing van de WWB niet met een Nederlander gelijk kan worden gesteld omdat hij niet beschikt over een verblijfsvergunning. Verder is overwogen dat weigering van bijstand niet in strijd is met de artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

22 februari 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode bestrijkt vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dat brengt mee dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 21 december 2009 tot en met 3 februari 2010.

4.2. Niet in geschil is dat appellant als ongewenst verklaarde vreemdeling geen rechthebbende is op bijstand zoals bepaald in artikel 11 van de WWB, en dat aan hem daarom in verband met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de WWB, ook niet wegens zeer dringende redenen als bedoeld in het eerste lid van die bepaling bijstand kan worden verleend. Het geschil spitst zich uitsluitend toe op de vraag of de weigering van het College appellant in de gegeven situatie bijstand te verstrekken een schending van de artikelen 3 en 8 van het EVRM oplevert.

4.3. De Raad stelt, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8789, vast dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (verder: EHRM) als the ‘very essence’ van het EVRM aanmerkt respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime ‘margin of appreciation’ toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkene. De Raad wijst in dit verband onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91, LJN BD6647).

4.4. In het onderhavige geval acht de Raad beslissend dat niet kan worden gezegd dat de weigering van bijstand tot effect had dat de normale ontwikkeling van het privéleven van appellant in de periode van belang onmogelijk werd gemaakt. Daarbij komt betekenis toe aan de omstandigheid dat appellant als vreemdeling niet rechtmatig in Nederland verbleef en dat voorts niet is gebleken dat appellant niet kan terugkeren naar Suriname. In dit verband wijst de Raad er op dat niet is gebleken dat appellant staatloos is. Anders dan appellant heeft betoogd is de Raad van oordeel dat het op zijn weg ligt om met een begin van substantieel bewijs voor een geslaagd beroep op het bijzondere recht op bescherming ingevolge artikel 8 EVRM te komen. Naar het oordeel van de Raad is appellant hierin met de in beroep overgelegde medische verklaringen van vertrouwensarts C. van Melle en van zenuwarts H. Loen beide van 21 mei 2010 niet geslaagd. Uit de voornoemde verklaringen kan worden afgeleid dat bij appellant bij longonderzoek afwijkingen zijn gevonden, die dienen te worden onderworpen aan een nader onderzoek alsmede dat er mogelijk sprake is van een aanpassingsstoornis. De Raad is van oordeel dat naar objectief medische maatstaf met de voornoemde verklaringen niet is aangetoond dat appellant gelet op zijn gezondheidstoestand ten tijde van belang behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van hun gezin- of privéleven. De Raad wijst hierbij voorts nog op zijn uitspraak van 19 april 2010, LJN BM1992 waarin is geoordeeld dat de positieve verplichting van de Staat om in omstandigheden als de onderhavige recht te doen aan artikel 8 EVRM rust op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB.

4.5 Uit het overwogene onder 4.4 volgt dat het beroep op artikel 8 van het EVRM niet slaagt. Gelet hierop behoeft het beroep op artikel 3 van het EVRM, dat een veel zwaardere norm stelt, verder geen bespreking.

4.6. Ten aanzien van het beroep van appellant op de overwegingen van de considerans van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (verder: de richtlijn) stelt de Raad vast dat de in artikel 22 van de richtlijn genoemde implementatietermijn ten tijde in geding nog niet was verstreken. De Raad laat het beroep op de considerans van de richtlijn reeds daarom onbesproken.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Er is daarom geen grond voor het toekennen van een schadevergoeding.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD