Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0789

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
09-6884 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht (meer) op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank. Bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker heeft in zijn rapportage van 2 maart 2010 terecht erop gewezen dat bedrijfsarts O. Mahadew van Argonaut in het verslag van het in opdracht van de gemeente Delft uitgevoerde onderzoek uitdrukkelijk heeft vermeld dat de orthopedische, reumatologische en neurologische klachten van appellant niet zijn geobjectiveerd. In zijn rapportage van 31 mei 2011 heeft Blanker gemotiveerd uiteengezet dat de informatie van KNO-arts F.A.W. Peek van 8 februari 2010 en van kaakchirurg E.W. van Roesel van 8 april 2010 wellicht een zeer klein deel van de klachten van appellant verklaart, maar geen aanleiding geeft om terug te komen op zijn eerdere conclusie dat niets erop wijst dat appellant op 22 december 2008 ten gevolge van ziekte of gebrek buiten staat was om zijn arbeid als administratief logistiek medewerker te verrichten. De Raad is van oordeel dat aanwijzingen ontbreken om aan de juistheid van de conclusie van bezwaarverzekeringsarts Blanker te twijfelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6884 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 november 2009, 09/1859 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 24 mei 2011 heeft appellant een aantal medische stukken aan de Raad doen toekomen. Bij faxbericht van 31 mei 2011 heeft het Uwv een reactie hierop ingezonden van zijn bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als administratief logistiek medewerker, heeft zich vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet na eerdere ziekteperioden op 14 augustus 2008 opnieuw ziek gemeld met diverse lichamelijke klachten. Hij heeft van 16 oktober tot en met 8 december 2008 een training gevolgd bij het Spine & Joint Centre te Rotterdam. Bij onderzoek van appellant op 16 december 2008 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat de al langer bestaande en niet goed objectiveerbare klachten van appellant niet tot zodanige beperkingen leiden dat hij niet tot het verrichten van zijn arbeid in staat is.

1.2. Bij besluit van 16 december 2008 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van 22 december 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) omdat hij niet langer wegens ziekte of gebrek ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid wordt geacht. Bij besluit van 4 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 december 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de beschikbare medische informatie geen grond geeft om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen.

3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Volgens hem hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen onvoldoende rekening gehouden met zijn medische beperkingen op 22 december 2008. Zowel uit de rapportage van de bedrijfsarts van Argonaut als uit de ingebrachte informatie van onder andere de KNO-arts en de kaakchirurg, die een oude jukbeenbreuk vaststelden, volgt dat niet louter sprake is van subjectieve klachten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder "zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In de situatie van appellant geldt als "zijn arbeid" de functie van administratief logistiek medewerker.

4.2. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank. Bezwaarverzekeringsarts R.M.E. Blanker heeft in zijn rapportage van 2 maart 2010 terecht erop gewezen dat bedrijfsarts O. Mahadew van Argonaut in het verslag van het in opdracht van de gemeente Delft uitgevoerde onderzoek uitdrukkelijk heeft vermeld dat de orthopedische, reumatologische en neurologische klachten van appellant niet zijn geobjectiveerd. In zijn rapportage van 31 mei 2011 heeft Blanker gemotiveerd uiteengezet dat de informatie van KNO-arts F.A.W. Peek van 8 februari 2010 en van kaakchirurg E.W. van Roesel van 8 april 2010 wellicht een zeer klein deel van de klachten van appellant verklaart, maar geen aanleiding geeft om terug te komen op zijn eerdere conclusie dat niets erop wijst dat appellant op 22 december 2008 ten gevolge van ziekte of gebrek buiten staat was om zijn arbeid als administratief

logistiek medewerker te verrichten. De Raad is van oordeel dat aanwijzingen ontbreken om aan de juistheid van de conclusie van bezwaarverzekeringsarts Blanker te twijfelen.

4.3. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

(get) M. Greebe.

(get) M.A. van Amerongen.

NK