Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0776

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
10-4270 AW enz
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen extra pensioen voor doorwerkende rechters.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 69
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren 46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011/1502
TAR 2011/159
PJ 2011/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4270 AW enz.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de 18 rechterlijk ambtenaren, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (hierna: appellanten),

en

de besturen van de rechtbanken en gerechtshoven, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (hierna: de besturen)

Datum uitspraak: 30 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Elk van de appellanten heeft beroep ingesteld tegen het besluit, waarbij zijn of haar bestuur heeft beslist op zijn of haar bezwaar tegen een besluit van de minister van Justitie van 16 juni 2008. In dat besluit had de minister beslist op het verzoek van appellanten om een besluit te nemen in verband met de gevolgen voor de hoogte van hun pensioen van het blijven verrichten van hun werkzaamheden als rechter na de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden (het zogenaamde Vendrikeffect). Bij de bestreden besluiten zijn de bezwaren van elke appellant ongegrond verklaard.

De besturen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met het beroep onder nummer 10/4288 AW plaatsgevonden op 7 april 2011. Van appellanten is verschenen [Appellant 12] (10/4283 AW), bijgestaan door mr. D.J. Rutgers en mr. M. Zaman, beiden advocaat te Amsterdam. Deze laatsten zijn tevens verschenen als gemachtigde van de overige appellanten. Het bestuur van de rechtbank Breda heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.C. Naves, bijgestaan door mr. M.B. de Witte-van den Haak, advocaat te ’s-Gravenhage, die eveneens optrad als vertegenwoordigster van de overige besturen. Na de behandeling zijn de zaken gesplitst. Thans wordt in de onderhavige zaken uitspraak gedaan. In het geding onder nummer 10/4288 AW wordt apart uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor de voorgeschiedenis van de bestreden besluiten verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 3 december 2009, nummer 09/664 AW enz. (LJN BK4789, NJB 2010, 64 en TAR 2010, 30) in een geschil tussen onder meer appellanten en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK). Voor zover in deze gedingen van belang betreft dit kort samengevat het navolgende.

Appellanten zijn met rechtspraak belaste rechterlijke ambtenaren, aangesteld bij een rechtbank of gerechtshof. Onder meer namens hen is bij brief van 7 april 2008 een verzoek gedaan aan de minister van Justitie om een besluit te nemen ter reparatie van de gevolgen voor hun pensioenrechten van het zogenoemde amendement Vendrik. De minister van BZK heeft “mede namens de minister van Justitie” beslist dat zij zich niet bevoegd achtte een ad hoc regeling te treffen die afwijkt van een krachtens algemeen verbindend voorschrift vastgelegde regeling. Het bezwaar tegen deze beslissing is door de minister van BZK niet-ontvankelijk verklaard. De Raad heeft die beslissing van de minister van BZK juist geacht.

De Raad is daarnaast tot het oordeel gekomen dat appellanten in ieder geval ook een beslissing op hun bezwaar hadden mogen verwachten van de minister van Justitie, omdat het primaire besluit mede een reactie van deze minister behelsde en omdat appellanten hun verzoek aan de minister van Justitie hadden gericht, hem niet alleen aansprekend “als Minister verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden van de rechterlijke macht en voor de uitvoering van het overheidsbeleid”, maar ook als goed werkgever. In de aanvraag van appellanten zag de Raad mede een individueel verzoek van ieder van hen om financiële compensatie van (gesteld) nadeel als gevolg van het amendement Vendrik en dus een verzoek om toepassing te geven aan artikel 46, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Ingevolge deze bepaling kan een gerechtsbestuur, als functionele autoriteit van de rechterlijk ambtenaren aangesteld bij zijn gerecht, aan hen een geldelijke tegemoetkoming verlenen. De Raad was daarom van oordeel dat op het bezwaar van appellanten door de betrokken besturen nog een beslissing genomen moest worden.

1.1. Na de uitspraak van de Raad van 3 december 2009 hebben de meeste van de appellanten hun bestuur een toelichting gegeven op hun verzoek om de gevraagde vergoeding. In de kern betrof dit een uitleg van de effecten van de regelgeving ten gevolge van de invoering van de zogenoemde VPL wetgeving (Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling) en het daarbij aanvaarde amendement Vendrik. Zij hebben uiteengezet dat ten gevolge van deze wetgeving het pensioen van een ambtenaar (geboren vóór 1950) bij uittreden na de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden veel lager is dan het pensioen bij ontslag uiterlijk bij het bereiken van de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden. In geval van doorwerken bij die leeftijd duurt het geruime tijd voordat het nadeel, door appellanten aangeduid als ‘pensioenval’, van dat doorwerken is ingelopen en bij sommigen lukt zelfs dat niet volledig voor het nabestaandenpensioen. Appellanten hebben gewezen op de wettelijke ontslagleeftijd van 70 jaar, de wens om door te werken na het bereiken van de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden, het belang van de rechtspraak bij het voortzetten van hun werk-zaamheden en de onbillijkheid van de keuze die zij moeten maken. Zij menen dat de situatie leeftijdsdiscriminatie impliceert zonder dat daarvoor een objectieve recht-vaardiging te geven valt. Zij vragen het bestuur om toekenning van het bedrag dat nodig is om het nadeel van voortzetting van hun loopbaan als rechterlijk ambtenaar te repareren en subsidiair om met hen in overleg te gaan over een andere wijze van tegemoetkoming.

1.2. Na een hoorzitting hebben de besturen voor elk van de appellanten een gelijkluidend besluit op bezwaar genomen, inhoudend dat artikel 46, eerste lid, van de Wrra niet bedoelt om elk gerechtsbestuur toe te staan naar eigen billijkheidsopvatting de gevolgen van een bindende regeling teniet te doen. Het verzoek is afgewezen en het bezwaar is ongegrond verklaard.

2. De beroepsgronden van appellanten hebben betrekking op de wijze van totstandkoming van de bestreden besluiten, de motivering van de afwijzingen en het ontbreken van een inhoudelijke beoordeling. Appellanten verzoeken de Raad om de besturen op te dragen een positieve beslissing op hun verzoeken te nemen, daaraan een termijn te verbinden en een dwangsom op te leggen.

De besturen hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De voorbereiding van de bestreden besluiten

3.1.1. Appellanten achten de voorbereiding van de bestreden besluiten onjuist, omdat zij niet individueel door het bestuur zijn gehoord, de besturen geen adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben ingericht, zij zich niet hebben laten vertegenwoordigen bij de hoorcommissie en de hoorcommissie de besturen geen advies heeft gegeven.

3.1.2. De Raad oordeelt dat, gelet op de wettelijke voorschriften over het horen in bezwaar, de door appellanten aangevoerde omstandigheden geen beletsel behelzen voor de door de besturen gevolgde werkwijze bij de hoorzitting. Dat appellanten een voorkeur hadden voor een andere inrichting van de hoorzitting en teleurgesteld waren in de gekozen aanpak is evenmin een grond voor het oordeel, dat de voorbereiding van de bestreden besluiten als niet zorgvuldig moet worden aangemerkt.

Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

3.2. De motivering van de bestreden besluiten

3.2.1. Artikel 46, eerste lid, van de Wrra luidde ten tijde hier van belang:

“Aan een rechterlijk ambtenaar of een rechterlijk ambtenaar in opleiding kan door Onze Minister onderscheidenlijk, indien het een rechterlijk ambtenaar betreft die werkzaam is bij een gerechtshof of rechtbank, door de functionele autoriteit naar billijkheid een schadeloosstelling, een vergoeding van kosten of overigens een geldelijke tegemoetkoming worden verleend.”

3.2.2. In de bestreden besluiten is het volgende overwogen:

“De ruimte die het amendement-Vendrik (wijziging van de Wet op de loonbelasting 1964) biedt om niet “opgebruikte” FPU-aanspraken toe te voegen aan (de aanspraak op) het ambtelijke ouderdomspensioen wordt krachtens de Wet kaderregeling vut overheidspersoneel (Wkvo) door de sectorwerkgevers en de vakcentrales ingevuld.

De uitkomst daarvan (door de wetgever aangeduid als de vut-overeenkomst) is bindend, ook voor het personeel van de betrokken overheidsinstellingen (artikel 3, tweede lid, Wkvo). De vraag of in ruimere mate dan thans gebruik moet worden gemaakt van de belastingtechnische speelruimte is in het overleg tussen de betrokken partijen aan de orde gekomen. Het gerechtsbestuur moge u verwijzen naar hetgeen daaromtrent door de minister van BZK in haar beslissing op uw inleidende verzoek is vermeld. Dat heeft niet geleid tot een wijziging van de regeling van de FPU-aanspraken.

Dat u niet hetzelfde voordeel geniet als iemand die wel van de FPU gebruik is gaan maken (kort) voor de eerste dag van de maand waarin hij of zij 65 werd, is dus een (beoogd, althans aanvaard) gevolg van een krachtens de Wkvo vastgestelde regeling. Artikel 46, eerste lid, Wrra bedoelt niet aan het gerechtsbestuur toe te staan om naar eigen billijkheidsopvatting de gevolgen van een bindende regeling teniet te doen.

Op grond van de hiervoor genoemde wet- en regelgeving is geen andere beslissing mogelijk dan een afwijzing van uw verzoek om individueel te worden gecompenseerd voor de wettelijke invulling van de ruimte die het amendement-Vendrik biedt.”

3.2.3. Dit betekent dat de besturen zich niet bevoegd achten in gevallen als deze toepassing te geven aan artikel 46, eerste lid, van de Wrra. Dit acht de Raad onjuist. Sinds de inwerkingtreding van de Wet van 30 januari 2002, Stb 65, is de materiële inhoud van artikel 46, eerste lid, van de Wrra in overeenstemming gebracht met de voor rijksambtenaren geldende regeling in artikel 69 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De eerder aanwezige wettelijke beperkingen voor het toekennen van een schadeloosstelling of vergoeding van kosten aan een rechterlijk ambtenaar (in opleiding) zijn bij die gelegenheid verwijderd (kamerstukken 27 699 nr. 3). Naar het oordeel van de Raad ligt noch in de tekst van deze voorschriften noch in de wetsgeschiedenis van artikel 46, eerste lid, van de Wrra een aanknopingspunt voor een door de wetgever beoogde beperking van het bereik van dit voorschrift zoals door de besturen bedoeld. Ook in de rechtspraak van de Raad over artikel 69 van het ARAR en vergelijkbare voorschriften is zodanige beperking niet neergelegd. Het oordeel van de Raad in onder meer de uitspraak van 9 december 2004 (LJN AR7748 en TAR 2005, 33), recent herhaald in de uitspraak van 6 januari 2011 (10/1199 MAW en LJN BP1535), dat bepalingen zoals artikel 69 van het ARAR kunnen worden gezien als de uitdrukking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen en dat deze norm als zodanig de ambtenaar geen aanspraak geeft op vergoeding van schade die in een bepaalde situatie voor zijn rekening blijft, leidt anders dan de besturen menen op zichzelf beschouwd niet tot een beperking van de gevallen waarin het desbetreffende bevoegde orgaan gebruik zou kunnen maken van de mogelijkheid om een verzoek om vergoeding geheel of gedeeltelijk te honoreren.

3.2.4. Gezien hetgeen onder 3.2.3 is overwogen is de Raad van oordeel dat de bestreden besluiten niet op een draagkrachtige motivering berusten en zij dus voor vernietiging in aanmerking komen.

3.3. Finale geschilbeslechting

3.3.1. De wens van appellanten dat de besturen wordt opgedragen om positieve beslissingen te nemen op hun verzoeken leest de Raad als een verzoek van appellanten om ook te beoordelen of de door hen aangedragen argumenten tot de conclusie moeten leiden dat de besturen niet in redelijkheid hebben kunnen weigeren van hun discretionaire bevoegdheid gebruik te maken dan wel anderszins hebben gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. In aanmerking genomen dat de besturen in het verweerschrift en ter zitting ook gereageerd hebben op de argumenten van appellanten en uit oogpunt van het streven naar finale geschilbeslechting, zal de Raad dus de vraag beantwoorden of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand kunnen blijven.

Daarbij zal de Raad mede betrekken de door de besturen in beroep gegeven reactie op de door appellanten aangevoerde argumenten.

3.3.2. De Raad zal er bij deze oordeelsvorming van uitgaan dat bij appellanten, allen geboren vóór 1950 en dus nog gerechtigd om gebruik te maken van de mogelijkheden van het FPU-reglement basisuitkering en aanvullende uitkering, de voortzetting van hun aanstelling als rechterlijk ambtenaar na het bereiken van de leeftijd van 64 jaar en

11 maanden tot gevolg heeft dat aan hun ouderdomspensioen niet wordt toegevoegd het omslaggefinancierde deel - inclusief de actuariële verhoging - van de opgebouwde FPU-uitkering.

3.3.3. Appellanten hebben betoogd dat met het amendement Vendrik niet bedoeld is om het bevorderen van het doorwerken na de leeftijd van 55 jaar te beperken tot de leeftijd van 65 jaar. Voorts menen appellanten dat sprake is van strijd met Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van de Europese Unie en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. Zij worden immers in wezen voor de keuze gesteld tussen het nemen van ontslag bij het bereiken van de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden en het voortzetten van hun aanstelling en werkzaamheden ondanks de wetenschap dat doorwerken tot een pensioenval zal leiden en de onzekerheid of het zal lukken om dit te repareren. Omdat appellanten, voor wie de leeftijd van 70 jaar als ontslagleeftijd geldt, daadwerkelijk willen doorwerken na het bereiken van de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden menen appellanten dat reparatie van het pensioennadeel met toepassing van artikel 46, eerste lid, van de Wrra in de rede ligt. Appellanten hebben de pensioenval individueel cijfermatig onderbouwd en hebben opgaven van het Pensioenfonds ABP ingebracht over het bedrag dat nodig is om het nadeel te repareren.

3.3.4. Naar het oordeel van de Raad komt het betoog van appellanten er in de kern op neer dat zij de regelingen met betrekking tot de FPU-uitkering en het pensioen op dit onderdeel in strijd achten met de Richtlijn 2000/78/EG en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid. De Raad is van oordeel dat het niet op zijn weg ligt om de door appellanten bedoelde regelingen te interpreteren en/of op (on)rechtmatigheid te beoordelen. De bestreden besluiten van de gerechtsbesturen hebben immers geen betrekking op de toepassing van de desbetreffende regelingen, die immers ook door andere instanties of organen uitgevoerd worden. De Raad merkt daarbij nog op dat hem geen rechtsmacht toekomt over de beslissingen die genomen worden over bedoelde regelingen. Of en zo ja, in hoeverre die regelingen in strijd zijn met Richtlijn 2000/78/EG en de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid blijft bij de beoordeling van de geweigerde vergoedingen dus buiten bespreking.

3.3.5. De Raad ziet in het voorgaande geen beletsel voor de beoordeling van de houdbaarheid van de weigeringen van vergoeding. Indien appellanten in een daarop toegesneden procedure over de toevoeging van de FPU-uitkering aan het pensioen het gelijk aan hun zijde krijgen, dan zal het door appellanten verwachte nadeel alsnog hersteld worden. Voor een vergoeding door de besturen is in die situatie geen noodzaak en geen aanleiding. Indien appellanten in een dergelijke procedure in het ongelijk gesteld worden, dan blijft het pensioennadeel van het voortzetten van de aanstelling bij de leeftijd van 64 jaar en 11 maanden uiteraard in stand. In dat geval kan de conclusie zijn dat in de (vergeefs gestelde) onrechtmatigheid van de regelingen geen draagkrachtig argument gelegen was voor de toekenning van een vergoeding door het bestuur.

3.3.6. Bij de omstandigheid dat de inhoud en toepassing van de regelingen over de FPU-uitkering en pensioen geheel buiten de invloedsfeer van de besturen liggen en dat geen van de appellanten individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die eventueel zouden nopen tot een andere keuze, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de functionele autoriteit jegens een of meer appellanten niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren van de discretionaire bevoegdheid van de functionele autoriteit gebruik te maken dan wel dat anderszins is gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel. Dit betekent dat de Raad de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand zal laten.

4. De Raad ziet aanleiding om elk van de besturen met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van de bij zijn gerecht aangestelde appellant(en). Deze worden in totaal begroot op € 1.311,- wegens aan appellanten en de appellant in het geding met registratienummer 10/4288 AW verleende rechtsbijstand. Aan ieder van appellanten komt dus een bedrag toe van

1/19 van € 1.311,-, dus € 69,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de bestreden besluiten;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven;

Veroordeelt elk van de besturen tot vergoeding van de proceskosten, zoals in rubriek II onder 4 is vermeld;

Bepaalt dat elk van de besturen aan de bij zijn gerecht aangestelde appellant(en) het door hem/hen betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) K. Moaddine.

HD