Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0748

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
10/1213 AW + 10/1230 AW + 10/1508 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag. Terugvordering van de onverschuldigd betaalde bezoldiging. Voldoende is komen vast te staan dat betrokkene ten minste 77 uren ten onrechte als werktijd heeft geregistreerd en daarover onjuiste dan wel ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Ernstig plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1213 AW

10/1230 AW

10/1508 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel, (hierna: college)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 januari 2010, 09/1351, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het college

Datum uitspraak: 23 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld en beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 25 februari 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2011. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D.E. de Hoop, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch, en [S.], werkzaam bij de gemeente Beesel.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was sinds juni 1990 werkzaam bij de (rechtsvoorganger van de) gemeente Beesel, laatstelijk in de functie van medewerkster team Belastingen/WOZ voor 21 uur per week. Nadat haar leidinggevende in januari 2009 bij controle van het elektronische werktijdregistratiesysteem TIM had geconstateerd dat betrokkene in de voorafgaande periode veelvuldig geregistreerde kloktijden handmatig had gecorrigeerd, is een onderzoek verricht naar de werktijdverantwoording van betrokkene in de periode april 2008 tot en met januari 2009.

1.2. Nadat betrokkene de gelegenheid was gegeven zich hierover te verantwoorden, is haar bij besluit van 21 april 2009 wegens ernstig plichtsverzuim met ingang van 25 april 2009 onvoorwaardelijk strafontslag verleend op grond van 8:13 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO) (hierna: ontslagbesluit). Het college heeft betrokkene verweten dat zij in de periode van april 2008 tot en met januari 2009 ten minste 77 uren ten onrechte als werktijd heeft geregistreerd door middel van handmatige correcties en dat zij onjuiste dan wel ongeloofwaardige verklaringen daarover heeft afgelegd. Tevens is bij dat besluit op grond van het bepaalde in artikel 3:1:1, vierde lid, van de CAR/UWO de bezoldiging over 77 uren van betrokkene teruggevorderd wegens onverschuldigde betaling daarvan (hierna: terugvorderingsbesluit). Het besluit van 21 april 2009 is na bezwaar bij het bestreden besluit van 8 september 2009 in volle omvang gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank. Ten aanzien van (de handhaving van) het ontslagbesluit heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim, maar dat het op de weg van het college had gelegen te onderzoeken of niet met een minder zware straf dan ontslag had kunnen worden volstaan, nu betrokkene niet eerder disciplinair is gestraft of gewaarschuwd voor een soortgelijk of ander plichtsverzuim en gelet op haar langdurig dienstverband. De overwegingen van de rechtbank laten voorts zien dat het gehandhaafde terugvorderingsbesluit in rechte stand kon houden. Volgens de rechtbank was het college bevoegd om van betrokkene de betaalde bezoldiging over bedoelde 77 uren terug te vorderen wegens onverschuldigde betaling daarvan op grond van artikel 3:1:1, vierde lid, van de CAR/UWO.

3.1. Het college heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat betrokkene door 77 niet-gewerkte uren als werktijd te registreren en door het afleggen van onjuiste of ongeloofwaardige verklaringen daarover, zich schuldig heeft gemaakt aan zodanig ernstig plichtsverzuim, dat dit de straf van ongevraagd oneervol ontslag rechtvaardigt, ondanks de lengte van haar dienstverband en het ontbreken van een eerdere waarschuwing.

3.2. Betrokkene heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank daarbij heeft overwogen dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college voldoende heeft aangetoond dat betrokkene gedurende bedoelde 77 uur haar werk niet heeft verricht. Voorts kan betrokkene zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college bevoegd was de bezoldiging over bedoelde 77 uren van betrokkene terug te vorderen wegens onverschuldigde betaling daarvan. Betrokkene is van mening dat geen sprake is van uren die zij niet daadwerkelijk heeft gewerkt.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij het in rubriek I genoemde besluit van 25 februari 2010 het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 21 april 2009 herroepen en betrokkene, onder handhaving van de oorspronkelijke ontslagdatum van 25 april 2009, ontslag verleend op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken. Dit besluit wordt door de Raad op grond van artikel 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding betrokken.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

5.1. De Raad stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Raad voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven, noodzakelijk is dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen, dat betrokkene zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

5.2. De Raad stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene in de periode in geding van april 2008 tot en met januari 2009 voor in totaal 77 uren haar kloktijden, zoals die door het tijdsregistratiesysteem elektronisch waren geregistreerd, handmatig heeft gecorrigeerd en niet geklokte tijden handmatig in het systeem heeft ingevoerd. Partijen verschillen wel van mening over de vraag of betrokkene bedoelde 77 uur heeft gewerkt.

5.3. Nu ook uit de gegevens van het beveiligingssysteem en betrokkenes outlookagenda niet blijkt dat betrokkene op de gecorrigeerde tijden op het werk aanwezig was, ligt het naar het oordeel van de Raad op de weg van betrokkene om op zijn minst twijfel te doen rijzen over de juistheid van het standpunt van het college dat zij in die bedoelde 77 uren niet heeft gewerkt. Daarin is zij naar het oordeel van de Raad niet geslaagd.

5.3.1. Als reden voor de handmatige wijzigingen in het tijdregistratiesysteem heeft betrokkene onder andere aangevoerd dat zij geregeld vergat in- en uit te klokken. Zij kon naar haar zeggen namelijk in de periode in geding vanwege aanhoudende beenklachten moeilijk de personeelsingang bereiken, waardoor zij via een andere ingang het gebouw moest betreden en ook weer verlaten. Bij die ingang was het niet mogelijk haar kloktijden elektronisch te laten registreren. Dat was alleen mogelijk bij de personeelsingang.

De Raad stelt voorop dat betrokkene niet heeft betwist dat zij wist dat zij verplicht was om door middel van een badge bij de personeelsingang in te klokken bij binnenkomst van het kantoor en uit te klokken bij vertrek. Uit de onderzoeksgegevens van het college blijkt ook dat betrokkene in de periode in geding bij binnentreden en verlaten van het kantoor meestal in- en uitklokte. Ook blijkt uit die gegevens dat betrokkene naderhand deze elektronisch geregistreerde kloktijden veelvuldig handmatig heeft gewijzigd. Dat betrokkene zou zijn vergeten te klokken is in ieder geval geen deugdelijke verklaring voor die vele correcties. Kennelijk was betrokkene op de dagen dat zij wel in- en uit heeft geklokt, in staat de personeelsingang te bereiken. Dat zij op andere dagen daartoe niet in staat was, heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt.

5.3.2. Een andere reden die betrokkene heeft aangevoerd voor de handmatige wijzigingen in het tijdregistratiesysteem is dat zij geregeld onderweg van en naar huis objecten op locaties heeft gecontroleerd. Met het college stelt de Raad vast dat betrokkene hiervan echter zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd. De Raad is niet gebleken dat betrokkene tot het doen van dergelijke controles opdracht had gekregen van of afspraken daarover had gemaakt met haar (huidige) leidinggevende. Noch is gebleken dat zij die controles bij haar leidinggevende heeft gemeld. Evenmin heeft betrokkene concrete voorbeelden gegeven van dergelijke door haar gedane controles of rapportages daarvan overgelegd. Bovendien heeft betrokkene in een eerder stadium zelf verklaard dat zij uitsluitend beeldschermwerk verrichtte.

5.4. De Raad is verder van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat betrokkene regelmatig pauze heeft gehouden zonder deze te registreren. Betrokkene heeft zelf verklaard dat zij ongeveer één keer per week pauze neemt en naar buiten gaat zonder uit te klokken. Door niet uit te klokken tijdens haar pauze heeft betrokkene de indruk gewekt te hebben doorgewerkt. De Raad stelt overigens vast dat bij bedoelde 77 uren het college geen rekening heeft gehouden met deze door betrokkene niet als pauze geregistreerde tijd.

5.5. Van vooringenomenheid aan de kant van het college, zoals betrokkene heeft gesteld, is de Raad voorts niet gebleken. Betrokkene heeft voldoende gelegenheid gekregen zich te verantwoorden ten aanzien van de haar verweten gedragingen en haar verklaringen daarover te onderbouwen.

5.6. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat voldoende is komen vast te staan dat betrokkene in de periode in geding ten minste 77 uren ten onrechte als werktijd heeft geregistreerd en daarover onjuiste dan wel ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Daarmee heeft betrokkene zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Nu voorts niet is gebleken dat die gedragingen niet ten volle aan betrokkene kunnen worden toegerekend was het college bevoegd tot het opleggen van een disciplinaire straf.

5.7. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de aard en ernst van de hiervoor besproken gedragingen zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. Naar het oordeel van de Raad was het college niet verplicht om vóór tot het opleggen van de straf van ontslag betrokkene te waarschuwen en haar een kans te geven voor de toekomst een correcte tijdregistratie te gaan voeren. De langdurige staat van dienst van betrokkene doet niet af aan de conclusie van het college dat betrokkene heeft gehandeld in strijd met de eisen van betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid en dat betrokkene daardoor het in haar te stellen vertrouwen in ernstige mate heeft geschonden. Ook haar opstelling na confrontatie met de onregelmatigheden in haar tijdregistratie, zoals bijvoorbeeld het wissen van haar outlookagenda, heeft niet bijgedragen tot het herstel van vertrouwen.

5.8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit tevens voort dat voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gedurende 77 uren opzettelijk heeft nagelaten haar betrekking te vervullen. Het college heeft dan ook gelet op artikel 3:1:1, vierde lid, van het CAR/UWO de bezoldiging over die uren onverschuldigd aan betrokkene betaald. In dat artikel is namelijk bepaald dat over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, zijn bezoldiging niet wordt uitgekeerd. Het college was dan ook naar het oordeel van de Raad bevoegd tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde bezoldiging over te gaan. Het college heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken.

6. Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep van het college wel en het hoger beroep van betrokkene niet. Het bij het bestreden besluit gehandhaafde ontslag- en terugvorderingsbesluit houdt in rechte stand en de aangevallen uitspraak, waarbij dat bestreden besluit niet in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.

7. Dit brengt mee dat aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 25 februari 2010 de grondslag is komen te ontvallen, zodat dit besluit moet worden vernietigd.

8. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Vernietigt het besluit van 25 februari 2010.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K.J. Kraan en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2011.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) J. van Dam.

RS