Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0719

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
10/2835 WWB + 10/2837 WWB + 11/1995 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met het College van oordeel dat geen sprake is van een reële schuld met een concrete terugbetalingsverplichting. Het op 21 januari 2008 door appellante aan [d. J.] overgemaakte bedrag van € 150,-- leidt de Raad niet tot een ander oordeel reeds omdat dit bedrag is betaald voordat de hier aan de orde zijnde schuld is ontstaan. De Raad komt tot de conclusie dat het College de door [d. J.] ten tijde in geding aan appellante ter beschikking gestelde gelden terecht als middelen in aanmerking heeft genomen bij de bijstandsverlening aan appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2835 WWB

10/2837 WWB

11/1995 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 april 2010, 09/2520 en 09/5451 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G.H. Janssen, advocaat te Leiden, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2010. Voor appellante is mr. Janssen verschenen en het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Wijn, werkzaam bij de gemeente Leiden.

Na een tussenuitspraak van de Raad van 18 januari 2011, LJN BP2933 (hierna: tussenuitspraak), heeft het College op 23 maart 2011 een nader besluit genomen.

In reactie op het verzoek van de Raad van 4 april 2011 om een zienswijze over dat nadere besluit heeft appellante een bij de rechtbank ingediend beroepschrift van 13 april 2011 ingezonden. Voorts heeft appellante desgevraagd bij brief van 9 mei 2011 een nadere reactie gegeven op het in het besluit van 23 maart 2011 weergegeven standpunt van het College.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

Vervolgens heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft het College de aan appellante op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) verleende bijstand met ingang van 1 augustus 2007 ingetrokken. Voorts is bij besluit van 27 augustus 2007 de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 juli 2007 ingetrokken en zijn de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 128.423,78 van appellante teruggevorderd. De tegen de besluiten van 14 en 27 augustus 2007 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 10 maart 2009 ongegrond verklaard.

1.2. Aan deze besluitvorming heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante ten tijde in geding haar woonplaats niet in Leiden had, zoals zij aan het College had gemeld, maar in [plaatsnaam], bij [d. J.]. Van deze omstandigheden had zij geen mededeling gedaan aan het College. Naar de mening van het College had appellante jegens de gemeente Leiden dan ook geen recht op bijstand.

1.3. Bij besluit van 7 februari 2008, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 16 juni 2009, heeft het College de aanvraag om bijstand van appellante van 16 november 2007 afgewezen. Aan deze afwijzing ligt ten grondslag dat appellante en [d. J.] vanaf 16 november 2007 een gezamenlijke huishouding voeren in de woning van appellante in Leiden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 10 maart 2009 en 16 juni 2009 ongegrond verklaard. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

3. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het College bij besluit van 23 maart 2011, onder intrekking van het besluit van 16 juni 2009, het bezwaar tegen het besluit van 7 februari 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat appellante over de periode van 16 november 2008 (lees: 2007) tot en met 17 september 2008 bijstand wordt verleend naar de norm voor een alleenstaande. Hierbij heeft het College in aanmerking genomen dat de bijstandsverlening aan appellante met ingang van 24 december 2008 is hervat en tevens dat appellante over de periode van 18 september 2008 tot en met 23 december 2008 beschikte over de middelen om in haar bestaan te voorzien. Dit besluit is met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Awb bij het geding in hoger beroep betrokken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De aangevallen uitspraak

4.1.1. De Raad is in de tussenuitspraak met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op het besluit van 10 maart 2009 met de rechtbank tot het oordeel gekomen dat appellante ten tijde in geding jegens het College geen recht had op bijstand. Voor een motivering van dat oordeel wordt verwezen naar de overwegingen 5.1.1 tot en met 5.1.5 van de tussenuitspraak. Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre niet slaagt.

4.1.2. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op het besluit van 16 juni 2009 heeft de Raad in de tussenuitspraak geoordeeld dat dit besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet op een deugdelijke motivering berust, zodat de aangevallen aanspraak, waarbij dit niet is onderkend, in zoverre dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 16 juni 2009 met bepalingen over proceskosten en griffierecht gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

4.2. Het besluit van 23 maart 2011

4.2.1. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft appellante bij brief van 15 februari 2011 een op 22 maart 2009 door haar ondertekende schuldbekentenis alsmede een aantal bankafschriften ingestuurd. In de schuldbekentenis is vermeld dat appellante een schuld heeft bij [d. J.] vanwege een lening voor noodzakelijke levensbehoeften tot een bedrag van € 10.750,--. Tevens is daarin vermeld dat over de termijn van terugbetaling geen afspraken zijn gemaakt omdat zij op dat moment geen inkomen heeft. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt, voor zover hier van belang, dat [d. J.] op 16 september 2008, 22 oktober 2008 en 10 december 2008 telkens een bedrag van € 1.000,-- op de bankrekening van appellante heeft gestort en dat op 21 januari 2008 een bedrag van € 150,-- van de bankrekening van appellante naar de bankrekening van [d. J.] is overgemaakt onder vermelding van “terug betaling lening”.

4.2.2. Het College stelt zich naar aanleiding van de door appellante overgelegde stukken op het standpunt dat de door [d. J.] aan appellante ter beschikking gestelde gelden moeten worden aangemerkt als middelen waarmee appellante ten tijde hier nog in geding in de kosten van levensonderhoud heeft kunnen voorzien. In die zin heeft het College deze gelden dan ook in aanmerking genomen bij de bijstandsverlening aan appellante. Hierbij acht het College van doorslaggevend belang dat niet blijkt dat de gelden een lening betreffen waaraan een reële terugbetalingsverplichting is verbonden.

4.2.3. Appellante betoogt dat de door [d. J.] aan haar verstrekte gelden moeten worden beschouwd als een lening met een uitgestelde betalingsplicht.

4.2.4. De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante over de hier nog in geding zijnde periode in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien door middel van de door [d. J.] ter beschikking gestelde gelden. Naar het oordeel van de Raad heeft appellante in deze omstandigheid recht op bijstand indien zij aannemelijk maakt dat zij een reële schuld met een daadwerkelijke, concrete aflossingsverplichting heeft jegens [d. J.].

4.2.5. De Raad is met het College van oordeel dat appellante daarin niet is geslaagd. In dat verband acht de Raad van belang dat uit de onder 4.2.3 genoemde schuldbekentenis, nog los van het gegeven dat deze slechts door appellante is ondertekend, geenszins blijkt van een concrete aflossingsverplichting. Voorts neemt de Raad daarbij in aanmerking dat appellante bij brief van 9 mei 2011 nader uiteen heeft gezet dat er geen aflossingsafspraken zijn gemaakt tussen haar en [d. J.], dat zij door alle procedures niet in staat is tot aflossen en dat eerst na deze procedures daarover nadere afspraken worden gemaakt. Ook hieruit kan de Raad niets anders afleiden dan dat een eventuele aflossing afhankelijk is gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis, te weten dat appellante na afloop van de procedures in staat is tot aflossen. De Raad is dan ook met het College van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een reële schuld met een concrete terugbetalingsverplichting. Het op 21 januari 2008 door appellante aan [d. J.] overgemaakte bedrag van € 150,-- leidt de Raad niet tot een ander oordeel reeds omdat dit bedrag is betaald voordat de hier aan de orde zijnde schuld is ontstaan.

4.2.6. Hetgeen onder 4.2.1 tot en met 4.2.5 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat het College de door [d. J.] ten tijde in geding aan appellante ter beschikking gestelde gelden terecht als middelen in aanmerking heeft genomen bij de bijstandsverlening aan appellante. Het beroep tegen het besluit van 23 maart 2011 kan dan ook niet slagen.

5. Gelet op hetgeen onder 4.1.2 is overwogen ziet de Raad aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten worden begroot op € 874,-- voor in beroep verleende rechtsbijstand en op € 874,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op het besluit van 16 juni 2009;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juni 2009 gegrond;

Vernietigt het besluit van 16 juni 2009;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 23 maart 2011 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.748,--, te betalen aan de griffier van deze Raad;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en W.F. Claessens en J.M.A. van der Kolk-Severijns plv. als leden, in tegenwoordigheid van N. M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) N.M. van Gorkum.

RS