Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0663

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
08-12 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML is de Raad, evenals de rechtbank van oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellante in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 januari 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/12 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 22 november 2007, 07/171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.B. Kramer, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige ingezonden.

Appellante heeft bij schrijven van 27 juni 2008 een rapport van psychiater F. Kaya, gedateerd 16 juni 2008, in het geding gebracht, waarop door het Uwv onder toezending van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting van een meervoudige kamer van de Raad heeft plaatsgevonden op 22 april 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J. Gerritsen.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend om een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

De Raad heeft psychiater G.T. Gerssen benoemd, die op 23 september 2009 verslag heeft uitgebracht. Partijen hebben hierop gereageerd, appellante heeft daartoe een reactie van psychiater Kaya ingezonden.

Bij rapport van 16 juni 2010 heeft psychiater Gerssen nader gerapporteerd, waarop door appellante is gereageerd.

Partijen hebben desgevraagd toestemming verleend voor afdoening van de zaak buiten zitting.

De zaak is naar een enkelvoudige kamer verwezen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, laatstelijk werkzaam als kwaliteitscontroleur, ontvangt sedert 22 januari 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% wegens onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren.

1.2. Bij besluit van 14 juli 2006, gehandhaafd bij besluit van 5 januari 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante ingaande 15 september 2006 ingetrokken omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Daarbij is overwogen dat appellante vanwege een depressief beeld beperkt is in haar belastbaarheid en over duurzaam te benutten arbeidsmogelijkheden beschikt. Het Uwv heeft appellante ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie, maar geschikt voor andere gangbare arbeid. Het verlies aan verdiencapaciteit is vastgesteld op 0%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de medische grondslag van het bestreden besluit geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies daarvan. Over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat de voor appellante geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar geschikt zijn.

3.1. Appellante heeft zich niet kunnen verenigen met de aangevallen uitspraak. Zij heeft in hoger beroep herhaald dat het medisch onderzoek niet voldoende zorgvuldig is geweest en dat haar beperkingen zijn onderschat. Het Uwv heeft naar de mening van appellante onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom zij bij deze beoordeling - anders dan bij voorgaande beoordelingen - over duurzaam te benutten arbeidsmogelijkheden beschikt terwijl haar medische situatie niet is gewijzigd. Ten behoeve van het hoger beroep heeft appellante het onder rubriek I genoemde rapport van psychiater Kaya ingezonden. Daarin heeft Kaya vermeld dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellante ten tijde in geding te optimistisch heeft ingeschat. Hij achtte appellante vanwege een depressieve stoornis, ernstig met recidiverende episoden en randpsychotische kenmerken, en daarnaast een dysthyme stoornis, een paniekstoornis zonder agorafobie en dyspareunie niet belastbaar voor arbeid.

3.2. Het Uwv heeft geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen. Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van een bezwaarverzekeringsarts aangevoerd dat geen van de indicaties beschreven in de standaard Geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GDBM) op appellante van toepassing is. Het Uwv heeft verder betoogd dat het rapport van Kaya een goede onderbouwing ontbeert van de door hem voorgestane verdergaande beperkingen bij appellante. Met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting heeft het Uwv te kennen gegeven dat de maatmanomvang ten onrechte was gemaximeerd maar dat uitgaande van de correcte maatmanomvang appellante ongewijzigd minder dan 15% arbeidsongeschikt blijft.

3.3. De Raad heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming psychiater Gerssen geraadpleegd. De geraadpleegde deskundige concludeerde in zijn rapport van 23 september 2009 dat er bij appellante ten tijde in geding sprake was van een chronische aanpassingsstoornis met gemengd, angstig, depressieve stemming, een paniekstoornis zonder agorafobie, dyspareunie en theatrale en passief-agressieve persoonlijkheidskenmerken. Gerssen heeft de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) voor appellante vastgestelde beperkingen adequaat geacht. De reacties van appellante, psychiater Kaya en de behandelend huisarts op zijn rapport hebben Gerssen geen aanleiding gegeven zijn conclusie te herzien. Gerssen deelt niet de bevindingen van Kaya dat er sprake zou zijn van een ernstige depressieve stoornis.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Daartoe overweegt de Raad dat het door Gerssen verrichte onderzoek volledig en zorgvuldig is geweest en dat de conclusies in zijn rapport overtuigend zijn gemotiveerd. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat Gerssen het andersluidend standpunt van Kaya heeft meegewogen evenals de reacties van de gemachtigde van appellante en haar huisarts op zijn rapport en daarin geen aanleiding heeft gezien zijn standpunt te heroverwegen. Gerssen heeft bij rapport van 23 september 2009 en nader rapport van 16 juni 2010 uiteengezet waarom hij Kaya niet volgt in zijn standpunt dat er sprake is van een ernstige depressieve stoornis bij appellante dan wel tegelijkertijd sprake is van een depressieve stoornis én een dysthyme stoornis. Die visie is, aldus Gerssen, niet overeenkomstig de reguliere bevindingen in de wetenschappelijke literatuur. Gerssen heeft voorts oog gehad voor de psychosociale problematiek van appellante, echter deze leidt niet - zo begrijpt de Raad uit het rapport - tot (volledige) arbeidsongeschiktheid.

4.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellante vastgestelde belastbaarheid in de FML is de Raad, evenals de rechtbank van oordeel dat de aan appellante voorgehouden functies gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellante in medisch opzicht als passend dienen te worden aangemerkt. De onderbouwing hiervoor is gegeven in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 januari 2007.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM