Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0655

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
08-7345 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en toekenning WAO-uitkering. De Raad is van oordeel dat voor wat betreft de psychische klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen beslissende betekenis moet worden toegekend aan het in rubriek I genoemde rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige Hoencamp. Deze heeft vastgesteld dat er bij appellante ten tijde van zijn onderzoek sprake is van een bont beeld met angstklachten en depressieve klachten dat het best past binnen de omschrijving van een dysthyme stoornis bij een vrouw die in een complex sociaal systeem woont en qua karakter weinig doortastend is. Met betrekking tot de datum in geding heeft hij aangegeven dat deze sociale en psychiatrische constellatie met zich zal brengen dat het voor haar moeilijk is om zich op arbeid te richten. Dit kan zich uiten in concentratieproblemen, vermoeidheid, schrikreacties en (mogelijk) inadequate agressiviteit. Dit alles brengt echter naar zijn mening niet mee dat er zoveel beperkingen zijn dat zij in het geheel geen arbeid kan verrichten. Hij heeft in zijn rapport dan ook te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid en dat appellante in staat moet worden geacht de voor haar geselecteerde functies uit te oefenen. De Raad is alles afwegende van oordeel dat deze deskundige, die bij zijn onderzoek de beschikking had over alle in geding zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad acht de conclusies van de deskundige, welke conclusies zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, begrijpelijk en overtuigend. In de door appellante in januari 2011 nog ingebrachte medische informatie heeft de Raad geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan het oordeel van de deskundige en de Raad ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het in vaste rechtspraak besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de door het Uwv in verband met de psychische klachten van appellante vastgestelde beperkingen niet voor onjuist kunnen worden gehouden. Met betrekking tot de door het Uwv in verband met de fysieke klachten van appellante vastgestelde beperkingen is de Raad op grond van de gedingstukken niet tot een andere conclusie kunnen komen. De Raad is dan ook van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust. In de omstandigheid dat pas in hoger beroep door middel van het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 maart 2011 de passendheid van de functies voldoende is toegelicht, ziet de Raad redenen om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door appellante in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/7345 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 december 2008, 08/2202 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na behandeling van het geding ter zitting van 28 april 2010 heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Vervolgens heeft de Raad prof. dr. E. Hoencamp, psychiater te ’s-Gravenhage, als deskundige benoemd. Nadat hij appellante had onderzocht, heeft hij in oktober 2010 rapport uitgebracht. Vervolgens heeft deze deskundige de Raad bij brieven van 10 november 2010 en 22 november 2010 laten weten dat de medische informatie die appellante na de totstandkoming van dit rapport nog aan hem heeft toegezonden voor hem geen aanleiding heeft gevormd tot een andersluidend standpunt te komen dan neergelegd in zijn rapport van oktober 2010.

Nadat bij de Raad nog een brief van 19 januari 2011 van appellante was binnengekomen, heeft het Uwv de Raad een rapport van bezwaararbeidsdeskundige J. Huisman van 14 maart 2011 doen toekomen. Daarin is een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van appellante voor de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 13 april 2011, waar appellante niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is gezinsverzorgster geweest en in april 1988 uitgevallen wegens rug- en schouderklachten. Na afloop van de wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering is met ingang van 1 april 1991 ingetrokken. Daarna is haar weer een WAO-uitkering toegekend, welke per 25 april 1992 is ingetrokken. Sinds 3 februari 1994 is appellante wederom een WAO-uitkering toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante in opdracht van verzekeringsarts K.F. Ku onderzocht door de psychiater R.J.H. Winter, die in zijn rapport 10 juni 2007 tot de conclusie is gekomen dat er bij appellante geen sprake is van een psychische stoornis in engere zin. Hooguit kan er naar zijn mening worden vastgesteld dat appellante “een persoonlijkheidsprofiel heeft waarin vermijdende en angstige/afhankelijke kenmerken een belangrijke rol spelen”. In overeenstemming met de bevindingen van deze psychiater heeft de verzekeringarts Ku in zijn rapport van 23 juli 2007 vastgesteld dat appellante als gevolg van haar psychische klachten beperkingen heeft. Daarnaast heeft Ku in dit rapport vastgesteld dat appellante als gevolg van haar rug- en schouderklachten eveneens beperkingen heeft. Ku heeft deze beperkingen vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Omdat appellante na de totstandkoming van deze FML had aangegeven dat haar klachten waren toegenomen, heeft verzekeringsarts Ku appellante op 13 november 2007 nogmaals onderzocht. De resultaten van dit onderzoek zijn voor hem geen aanleiding geweest de FML aan te passen. Vervolgens is arbeidsdeskundige M.L. Vlaander tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk van gezinsverzorgster maar nog wel voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 15 tot 25%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellante bij besluit van 16 november 2007 meegedeeld dat haar WAO-uitkering met ingang van 17 januari 2008 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

2.1. In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor haar.

2.2. Bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep heeft de voor appellante vastgestelde FML aangepast. Vervolgens is de bezwaararbeidsdeskundige P. de Zeeuw op grond van deze aangepaste FML tot de conclusie gekomen dat een aantal aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet meer geschikt was voor appellante. Er resteerden echter voldoende geschikte functies en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante heeft zij berekend op eveneens 15 tot 25%. Bij besluit van 17 april 2008 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3.1. In beroep heeft appellante herhaald dat zij meer beperkingen heeft, waarbij zij er op heeft gewezen dat zij ook beperkingen heeft als gevolg van huidirritaties en nek- en rechterarmklachten. Ter ondersteuning van haar standpunt dat zij meer beperkingen heeft, heeft zij nadere medische informatie overgelegd waaronder informatie van haar huisarts en behandelend psychiater A. Lisei.

3.2. In zijn rapporten van 4 juli 2007 en 5 november 2008 heeft bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep te kennen gegeven dat deze nadere medische informatie geen aanleiding is om zijn in bezwaar ingenomen standpunt te wijzigen.

4. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

5. Onder herhaling van haar gronden heeft appellante in hoger beroep nog meer medische informatie ingebracht.

6.1. De Raad overweegt als volgt.

6.2. De Raad is van oordeel dat voor wat betreft de psychische klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen beslissende betekenis moet worden toegekend aan het in rubriek I genoemde rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige Hoencamp. Deze heeft vastgesteld dat er bij appellante ten tijde van zijn onderzoek sprake is van een bont beeld met angstklachten en depressieve klachten dat het best past binnen de omschrijving van een dysthyme stoornis bij een vrouw die in een complex sociaal systeem woont en qua karakter weinig doortastend is. Met betrekking tot de datum in geding heeft hij aangegeven dat deze sociale en psychiatrische constellatie met zich zal brengen dat het voor haar moeilijk is om zich op arbeid te richten. Dit kan zich uiten in concentratieproblemen, vermoeidheid, schrikreacties en (mogelijk) inadequate agressiviteit. Dit alles brengt echter naar zijn mening niet mee dat er zoveel beperkingen zijn dat zij in het geheel geen arbeid kan verrichten. Hij heeft in zijn rapport dan ook te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de voor appellante vastgestelde belastbaarheid en dat appellante in staat moet worden geacht de voor haar geselecteerde functies uit te oefenen.

6.3. De Raad is alles afwegende van oordeel dat deze deskundige, die bij zijn onderzoek de beschikking had over alle in geding zijnde medische gegevens, op zorgvuldige wijze een onderzoek heeft ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag heeft gedaan. De Raad acht de conclusies van de deskundige, welke conclusies zijn beargumenteerd aan de hand van relevante medische inzichten, begrijpelijk en overtuigend. In de door appellante in januari 2011 nog ingebrachte medische informatie heeft de Raad geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan het oordeel van de deskundige en de Raad ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het in vaste rechtspraak besloten liggende uitgangspunt dat het oordeel van de onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd.

6.4. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de door het Uwv in verband met de psychische klachten van appellante vastgestelde beperkingen niet voor onjuist kunnen worden gehouden. Met betrekking tot de door het Uwv in verband met de fysieke klachten van appellante vastgestelde beperkingen is de Raad op grond van de gedingstukken niet tot een andere conclusie kunnen komen. De Raad is dan ook van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.

6.5. Aangezien de Raad tevens van oordeel is dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. In de omstandigheid dat pas in hoger beroep door middel van het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 14 maart 2011 de passendheid van de functies voldoende is toegelicht, ziet de Raad redenen om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door appellante in beroep en in hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeel het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,--;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 145,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en T. Hoogenboom en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) R.L. Venneman.

NK