Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0652

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
09-2843 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op een ZW-uitkering. Voor zover appellante met haar beroepsgronden de medische beoordeling ter discussie wil stellen die ten grondslag ligt aan de weigering van ziekengeld met ingang van 24 oktober 2007, staat daaraan in de weg dat het besluit van 19 oktober 2007 in rechte onaantastbaar is geworden. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ter beantwoording is de vraag of op 27 november 2007 sprake was van een andere medische toestand van appellante dan op 24 oktober 2007. Appellante heeft bij haar ziekmelding en in haar gesprek met de verzekeringsarts geen toename van klachten gemeld. Zij heeft slechts kenbaar gemaakt dat zij door haar huisarts naar een neuroloog in een academisch ziekenhuis was verwezen voor een beoordeling van haar pijnklachten bij wijze van second opinion. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek van appellante de second opinion betrokken, die op 6 februari 2008 is uitgebracht door de aan het Universitair Medisch Centrum Radboud verbonden arts-assistent F.G. van Rooij en neuroloog B.P.C. van de Warrenburg. In deze rapportage zijn geen andere klachten van appellante beschreven dan bij de (bezwaar)verzekeringsartsen bekend waren. Bij hun onderzoek hebben Van Rooij en Van de Warrenburg geen neurologische oorzaak van de pijnklachten gevonden. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de rapportage van Van Rooij en Van de Warrenburg een bevestiging vormt van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen en dat geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen. Appellante heeft onder verwijzing naar de door haar overgelegde rapportage van medisch adviseur G.M.A. Clauwaert van 15 oktober 2010 betoogd dat de (bezwaar)verzekeringsartsen zich geen goed beeld hebben gevormd van haar psychische toestand ten tijde van haar ziekmelding. Clauwaert heeft als zijn opvatting gegeven dat bij gebrek aan een adequate behandeling op psychiatrisch terrein geen sprake is van een medische eindtoestand. Maar uit zijn rapportage volgt niet dat de psychische toestand van appellante na 24 oktober 2007 is verslechterd. De kritiek van Clauwaert op de psychiatrische expertise, die de verzekeringsarts voorafgaande aan de hersteldverklaring per 24 oktober 2007 heeft ingewonnen, treft geen doel omdat die expertise zoals blijkt uit de rapportage van de verzekeringsarts van 19 oktober 2007 niet van doorslaggevende betekenis is geweest bij die hersteldverklaring. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts kan niet worden afgeleid dat hij die expertise wel bepalend heeft geacht bij zijn beoordeling van de psychische toestand van appellante op 27 november 2007. Met het overnemen van de door Van Rooij en Van de Warrenburg gestelde diagnose functionele stoornis heeft de bezwaarverzekeringsarts blijk gegeven bekend te zijn met bij appellante bestaande psychische problematiek. Een aanwijzing dat die problematiek is onderschat ontbreekt. De Raad ziet dan ook geen aanleiding een psychiater te benoemen als deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2843 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 maart 2009, 08/1990 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2011. Appellante is verschenen en bijgestaan door mr. J.J. Bronsveld, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante is op 18 oktober 2006 uitgevallen uit haar werkzaamheden als magazijnmedewerker met pijnklachten aan hoofd, nek, rug en schouders als gevolg van een bedrijfsongeval. Bij besluit van 19 oktober 2007 heeft het Uwv bepaald dat appellante met ingang van 24 oktober 2007 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) omdat zij weer in staat wordt geacht tot het verrichten van haar arbeid. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddel aangewend.

2. Bij besluit van 17 januari 2008 heeft het Uwv bepaald dat een nieuwe ziekmelding van appellante niet kan leiden tot toekenning van een ZW-uitkering met ingang van 27 november 2007, omdat van een wijziging van haar belastbaarheid sinds 24 oktober 2007 geen sprake is. Beslissend op het bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2008 – voor zover in dit geding nog van belang – zijn besluit van 17 januari 2008 gehandhaafd.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 26 maart 2008 ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het Uwv op basis van de beschikbare medische gegevens terecht het standpunt betrokken dat zich in de periode van 24 oktober 2007 tot 27 november 2007 geen nieuwe medische gebeurtenissen hebben voorgedaan.

4.1. Appellante heeft in hoger beroep – samengevat – naar voren gebracht dat zij lijdt aan een zeer uitgebreide en ernstige functionele stoornis met onderliggende psychische problematiek die niet voldoende is beoordeeld. Zij heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

4.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Voor zover appellante met haar beroepsgronden de medische beoordeling ter discussie wil stellen die ten grondslag ligt aan de weigering van ziekengeld met ingang van 24 oktober 2007, staat daaraan in de weg dat het besluit van 19 oktober 2007 in rechte onaantastbaar is geworden. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ter beantwoording is de vraag of op 27 november 2007 sprake was van een andere medische toestand van appellante dan op 24 oktober 2007.

5.2. Appellante heeft bij haar ziekmelding en in haar gesprek met de verzekeringsarts geen toename van klachten gemeld. Zij heeft slechts kenbaar gemaakt dat zij door haar huisarts naar een neuroloog in een academisch ziekenhuis was verwezen voor een beoordeling van haar pijnklachten bij wijze van second opinion. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek van appellante de second opinion betrokken, die op 6 februari 2008 is uitgebracht door de aan het Universitair Medisch Centrum Radboud verbonden arts-assistent F.G. van Rooij en neuroloog B.P.C. van de Warrenburg. In deze rapportage zijn geen andere klachten van appellante beschreven dan bij de (bezwaar)verzekeringsartsen bekend waren. Bij hun onderzoek hebben Van Rooij en Van de Warrenburg geen neurologische oorzaak van de pijnklachten gevonden. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts op goede gronden tot de conclusie is gekomen dat de rapportage van Van Rooij en Van de Warrenburg een bevestiging vormt van de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen en dat geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen.

5.3. Appellante heeft onder verwijzing naar de door haar overgelegde rapportage van medisch adviseur G.M.A. Clauwaert van 15 oktober 2010 betoogd dat de (bezwaar)verzekeringsartsen zich geen goed beeld hebben gevormd van haar psychische toestand ten tijde van haar ziekmelding. Clauwaert heeft als zijn opvatting gegeven dat bij gebrek aan een adequate behandeling op psychiatrisch terrein geen sprake is van een medische eindtoestand. Maar uit zijn rapportage volgt niet dat de psychische toestand van appellante na 24 oktober 2007 is verslechterd. De kritiek van Clauwaert op de psychiatrische expertise, die de verzekeringsarts voorafgaande aan de hersteldverklaring per 24 oktober 2007 heeft ingewonnen, treft geen doel omdat die expertise zoals blijkt uit de rapportage van de verzekeringsarts van 19 oktober 2007 niet van doorslaggevende betekenis is geweest bij die hersteldverklaring. Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts kan niet worden afgeleid dat hij die expertise wel bepalend heeft geacht bij zijn beoordeling van de psychische toestand van appellante op 27 november 2007. Met het overnemen van de door Van Rooij en Van de Warrenburg gestelde diagnose functionele stoornis heeft de bezwaarverzekeringsarts blijk gegeven bekend te zijn met bij appellante bestaande psychische problematiek. Een aanwijzing dat die problematiek is onderschat ontbreekt. De Raad ziet dan ook geen aanleiding een psychiater te benoemen als deskundige.

5.4. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak bevestigen.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen grond.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.

TM