Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0642

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
09-5876 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Net als rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Uit hun rapportages volgt dat zij een volledig beeld hadden van de problematiek van appellant en bij hun oordeelsvorming de informatie van neuroloog Morré hebben betrokken. De in beroep aan deze informatie toegevoegde brieven van de huisarts van 24 april 2007, van Morré van 13 november 2007 en van de arts voor orthomanuele geneeskunde W.J.H. Esser bevatten geen nieuwe medische gegevens. De in opdracht van de gemeente Sittard-Geleen in 2009 door Reaned opgestelde rapportage kan niet dienen ter onderbouwing van de stelling van appellant dat hij op 17 september 2008 arbeidsongeschikt was omdat die rapportage, zoals is bevestigd met een door appellant in beroep ingebracht e-mailbericht van de onderzoekende arts van Reaned, niet ziet op de medische toestand van appellant op 17 september 2008. Appellant heeft zijn opvatting dat hij in verband met ernstige medische problemen niet in staat was om te werken in hoger beroep niet met nadere gegevens van zijn behandelaars geschraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5876 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 23 september 2009, 08/1964 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C. Breuls, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2011. Appellant en mr. Breuls zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.H. Coenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als productiemedewerker bij [ naam werkgever]. Hij heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie op 30 maart 2007 ziek gemeld met klachten van hoofdpijn en nekpijn die het gevolg zijn van een hem overkomen auto-ongeval. Bij besluit van 16 september 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij met ingang van 17 september 2008 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Beslissend op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 september 2008 heeft het Uwv bij besluit van 23 oktober 2008 zijn standpunt gehandhaafd dat appellant vanaf 17 september 2008 niet langer recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2008 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank heeft een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden en heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellant weer geschikt is voor zijn werkzaamheden als assemblagemedewerker zoals die voorkomen bij een soortgelijke werkgever.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat hij ernstige medische problemen heeft en dat de gegevens van zijn behandelaars zijn stelling onderbouwen dat hij nog steeds arbeidsongeschikt is.

3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt ten aanzien van een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan de ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend voor zijn arbeid zijn.

4.2. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft de voormalige werkgever van appellant bezocht en in een rapportage van 2 september 2008 een beschrijving gegeven van de werkzaamheden van een productiemedewerker op de afdeling carrosseriebouw van [ naam werkgever], zoals die ten tijde van zijn onderzoek werden uitgevoerd.

4.3. De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 16 september 2008 uiteengezet dat appellant met zijn resterende hoofdpijnklachten in staat geacht moet worden om de relatief lichte werkzaamheden uit te voeren die zijn beschreven in de rapportage van de arbeidsdeskundige. Bij zijn oordeelsvorming heeft de verzekeringsarts betrokken dat door de behandelend neuroloog H.H.E Morré geen duidelijke afwijkingen zijn gevonden, dat de hoofdpijnklachten merkwaardig reageren op de behandeling die de neuroloog heeft ingezet en dat appellant in november 2007 niet is ingegaan op een voorstel van het Uwv om een trainingsprogramma voor whiplashpatiënten bij Winnock te doorlopen omdat hij ervan overtuigd was op eigen kracht over een half jaar weer fit te kunnen zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij eigen onderzoek van appellant geen afwijkingen kunnen vaststellen. In de informatie die is verkregen van de behandelende sector is volgens de bezwaarverzekeringsarts geen onderbouwing te vinden van het door appellant gestelde onvermogen om arbeid te verrichten. Hij is tot de conclusie gekomen dat objectieve medische gegevens ontbreken op grond waarvan appellant niet geschikt kan worden geacht voor het verrichten van zijn arbeid.

4.4. Net als rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. Uit hun rapportages volgt dat zij een volledig beeld hadden van de problematiek van appellant en bij hun oordeelsvorming de informatie van neuroloog Morré hebben betrokken. De in beroep aan deze informatie toegevoegde brieven van de huisarts van 24 april 2007, van Morré van 13 november 2007 en van de arts voor orthomanuele geneeskunde W.J.H. Esser bevatten geen nieuwe medische gegevens. De in opdracht van de gemeente Sittard-Geleen in 2009 door Reaned opgestelde rapportage kan niet dienen ter onderbouwing van de stelling van appellant dat hij op 17 september 2008 arbeidsongeschikt was omdat die rapportage, zoals is bevestigd met een door appellant in beroep ingebracht e-mailbericht van de onderzoekende arts van Reaned, niet ziet op de medische toestand van appellant op 17 september 2008. Appellant heeft zijn opvatting dat hij in verband met ernstige medische problemen niet in staat was om te werken in hoger beroep niet met nadere gegevens van zijn behandelaars geschraagd.

4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

(get.) M. Greebe.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK