Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0589

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
09-6452 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. De Raad is van oordeel dat de aanwezigheid van appellante tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek veronderstelt dat zij ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/182
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6452 WWB

11/2888 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 21 oktober 2009, 08/1449 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.Y. Baptiste, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 augustus 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante heeft in het voorjaar 2007 bij het College opgegeven dat zij twee uur per week werkzaamheden heeft verricht voor haar broer, [naam broer] op de woensdagmarkt in [plaatsnaam]. In het kader van een zogenoemd thematisch onderzoek heeft in eerste instantie het Team Handhaving van de Dienst Samenleving van de gemeente Apeldoorn en nadien de Sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van het door de Sociale recherche verrichte onderzoek zijn onder andere waarnemingen verricht op de woensdagmarkt in [plaatsnaam] getuigen gehoord en is appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 29 januari 2008. In het rapport wordt onder meer geconcludeerd dat appellante sinds 1 januari 2001 wekelijks op woensdag gedurende 1 dag in dienst van haar broer heeft gewerkt en daarmee ten minste het minimumloon heeft verdiend, zonder daarvan volledig opgave te doen.

1.2. Bij besluit van 12 februari 2008 heeft het College de bijstand over de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2007 in die zin herzien dat gedurende die periode met betrekking tot één dag per week geen recht op bijstand bestaat. Bij dat besluit heeft het College de kosten van de over die periode onverschuldigd verleende bijstand tot een bedrag van € 11.967,86 van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 15 juli 2008 is het tegen het besluit van 12 februari 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het besluit van 15 juli 2008 gegrond verklaard en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat appellante vanaf januari 2004 tot 1 januari 2008 gedurende vijf en een half uur per week op woensdag heeft gewerkt en dat zij met ingang van januari 2004 de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op de door de rechtbank vastgestelde omvang van haar werkzaamheden en schending van de inlichtingenverplichting.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het College bij besluit van 19 februari 2010 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 februari 2008 gegrond verklaard en, voor zover hier van belang, de herziening en de terugvordering over de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2004 herroepen en overwogen, dat over de periode van 1 januari 2004 tot 1 januari 2008 (hierna: periode in geding) de bijstand wordt herzien in die zin dat op de bijstand in mindering wordt gebracht een inkomen ter hoogte van het wettelijk minimumloon over vijf en een half uur per week en dat de terugvordering wordt beperkt tot een bedrag van € 5.682,75. De Raad stelt vast dat, nu daarmee niet is tegemoetgekomen aan de bezwaren van appellante, het geding in hoger beroep, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, zich mede uitstrekt tot dit nieuwe besluit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. In hoger beroep is blijkens het verhandelde ter zitting van de Raad uitsluitend de vraag aan de orde of het College aannemelijk heeft gemaakt dat appellante in de periode in geding meer op de woensdagmarkt voor haar broer heeft gewerkt en meer heeft verdiend dan zij bij het College heeft opgegeven. Appellante stelt dat zij bij het College altijd precieze opgave heeft gedaan van haar werkzaamheden en inkomsten. Zij stelt dat zij als gevolg van gezondheidsklachten niet in staat was meer uren te werken dan zij heeft opgegeven. Volgens appellante zijn de door het College vergaarde bewijsmiddelen onvoldoende om anders te oordelen.

5.2. Vast staat dat appellante met betrekking tot de periode van 1 januari 2004 tot oktober 2005 geen opgave heeft gedaan van door haar verrichte werkzaamheden voor haar broer en daarmee verworven inkomsten. Uit de stukken blijkt voorts dat appellante in de periode van oktober 2005 tot juni 2006 vier keer een bedrag aan inkomsten op de door het College verstrekte mutatieformuleren heeft vermeld. Over de periode van juli 2006 tot en met november 2007 heeft zij opgave van inkomsten gedaan en loonstroken overgelegd. Volgens deze verstrekte gegevens zou appellante gemiddeld anderhalf tot twee uur per woensdag hebben gewerkt. Appellante heeft in juni 2007 tegenover de klantmanager verklaard dat zij twee uur per week werkte en in november 2007 dat zij feitelijk anderhalf uur per week werkte.

Aanvang werkzaamheden

5.3. De Raad is op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat aannemelijk is dat appellante vanaf 1 januari 2004 werkzaam was op de woensdagmarkt in de textielkraam van haar broer. De Raad hecht betekenis aan de op 26 september 2007 en 7 november 2007 tegenover de sociale recherche en op 16 juni 2009 ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de toenmalige marktmeester [naam marktmeester]. Deze heeft verklaard dat hij in 2003/2004 marktmeester is geworden, dat de kraam [naam kraam] van [W.] in de regel elke woensdag van ongeveer 7.30 uur tot 13.00 uur op de markt aanwezig was, dat appellante en haar broer altijd samen op de woensdagmarkt stonden en dat dit al het geval was voordat hij marktmeester was. De Raad acht voorts van belang dat appellante tijdens een verhoor door de sociale recherche op 8 november 2007 de juistheid van de door de marktmeester tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring niet heeft betwist. Desgevraagd heeft zij tijdens dat verhoor enkel verklaard dat zij niet weet sinds wanneer zij op de markt werkt en heeft zij vervolgens, na te zijn geconfronteerd met de verklaring van de marktmeester, aangegeven niets meer te willen zeggen. De Raad ziet hierin noch in hetgeen verder door appellante is aangevoerd aanleiding om de juistheid van de hiervoor aangehaalde verklaringen van de marktmeester in twijfel te trekken.

Omvang werkzaamheden

5.4. De Raad is van oordeel dat het College op grond van de beschikbare gegevens er van uit heeft kunnen gaan dat appellante per gewerkte woensdag gedurende de vijf en een half uur dat de kraam van haar broer op de markt was, werkzaamheden heeft verricht. De Raad verwijst ook in dit verband naar de onder 5.3 genoemde verklaring van [naam marktmeester] en naar het proces-verbaal van verhoor van 8 november 2007, waarin is vermeld dat appellante heeft verklaard dat zij bij haar broer op de markt in [plaatsnaam] werkt, dat zij er vaak langer is dan de uren die zij bij de gemeente heeft opgegeven en betaald krijgt en dat zij daar aanwezig is om haar familie te helpen. Appellante heeft toen ook verklaard dat zij de laatste periode de hele ochtend op de markt bleef omdat zij geen eigen vervoer had. Voorts blijkt uit de door sociale rechercheurs verrichte waarnemingen op de markt in [plaatsnaam] in de periode van 20 juni 2007 tot en met 24 oktober 2007 dat als de kraam [naam kraam] op de markt aanwezig was, appellante daar werkzaam was. Uit deze waarnemingen blijkt tevens dat appellante op verscheidene dagen zowel rond het begin als tegen het eind van de marktdag aan het werk was. De stelling van appellante dat met de observaties niet is aangetoond dat zij onafgebroken heeft gewerkt en de - niet met medische stukken onderbouwde - stelling dat zij daartoe om gezondheidsredenen (fibromyalgie) niet in staat was, acht de Raad in het licht van het vorenstaande en mede gelet op het navolgende, onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

5.5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad mag in beginsel van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende, in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal opgenomen verklaring worden uitgegaan en kan aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Het proces-verbaal van het verhoor van appellante op 8 november 2007 is op ambtsbelofte door twee sociaal rechercheurs opgemaakt en ondertekend. Daarin is vermeld dat het proces-verbaal aan appellante is voorgelezen, dat zij heeft verklaard in haar verklaring te volharden en dat zij heeft aangegeven de verklaring niet te ondertekenen omdat zij daartoe niet verplicht is. Gelet hierop volgt de Raad appellante niet in haar in hoger beroep aangevoerde stelling dat zij het proces-verbaal niet heeft ondertekend omdat het verhoor moeizaam is verlopen en het proces-verbaal geen juiste weergave bevat van haar verklaring. De Raad merkt hierbij nog op dat uit het proces-verbaal niet kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van een moeizaam verhoor of van een onjuiste weergave van haar verklaring. Het proces-verbaal bevat zelfs nadere opmerkingen van appellante die zij na kennisneming van de schriftelijke verslaglegging van haar verklaring nog heeft gemaakt. De Raad stelt vast dat geen aanvullende opmerkingen zijn vermeld bij de verklaring over het langer dan de door appellante opgegeven uren aanwezig zijn in de kraam van haar broer. De Raad ziet in het ontbreken van de handtekening van appellante op het proces-verbaal, anders dan door appellante is bepleit, geen aanleiding om te oordelen dat appellante niet kan worden gehouden aan hetgeen zij op 8 november 2007 tegenover de sociale recherche heeft verklaard. Aan de ter zitting van de Raad voor het eerst door appellante afgelegde verklaring, dat zij op een marktdag regelmatig koffie ging drinken in een koffiecorner en dat zij wel beschikte over eigen vervoer omdat haar vader haar ophaalde, kent de Raad dan ook niet de betekenis toe die appellante daaraan toegekend wil zien.

5.6. De Raad is, in de lijn van zijn vaste rechtspraak, van oordeel dat de aanwezigheid van appellante tijdens reguliere arbeidsuren op een bestaande werkplek veronderstelt dat zij ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het tegendeel heeft appellante niet aannemelijk gemaakt.

5.7. Uit hetgeen onder 5.1. tot en met 5.5. is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - voor bevestiging in aanmerking komt.

5.8. De Raad stelt vast dat het College met het besluit van 19 februari 2010 geen onjuiste uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. Appellante heeft tegen dit besluit geen zelfstandige of van het eerdere beroep afwijkende gronden aangevoerd. De Raad zal het beroep tegen het besluit van 19 februari 2010 dan ook ongegrond verklaren.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 19 februari 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en E.J.M. Heijs en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2011.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) I. Mos.

HD