Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0461

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
10-2193 WJZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indicatiebesluit Wet op de jeugdzorg. 1) Bevoegdheid. Rechtsmachtverdeling tussen de kinderrechter als civiele rechter en de kinderrechter als bestuursrechter. Hoger beroep tegen uitspraken van de kinderrechter als bestuursrechter moet worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. 2) Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. De Raad is met de kinderrechter van oordeel dat sprake is van een indicatiebesluit dat valt onder art. 8:5, lid 1, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Awb, zodat hiertegen geen beroep kan worden ingesteld en, gelet op art. 7:1, Awb, hiertegen ook geen bezwaar kan worden gemaakt. Uit de wetsgeschiedenis bij art. 3, lid 4, WJZ blijkt dat de wetgever hiervoor heeft gekozen teneinde dubbele procedures te voorkomen. Tegen een aanwijzing als bedoeld in art. 1:258 BW is evenmin bezwaar en beroep mogelijk aangezien deze bepaling is opgenomen in onderdeel A, onder 3, van de bijlage bij de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2193 WJZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de kinderrechter als bestuursrechter van de rechtbank Amsterdam van 1 maart 2010, 428841 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomoratie Amsterdam (hierna: BJZ)

Datum uitspraak: 22 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.L.J. Schilt-Thissen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

BJZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Schilt-Thissen. BJZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.J.W. Ruitenberg, werkzaam bij BJZ.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.

1.1. Appellante is de grootmoeder van [A.] (roepnaam: [A.]), geboren [in] 1994. [A.] is in december 2004 onder toezicht gesteld van BJZ, welke ondertoezichtstelling nadien steeds is verlengd. [A.] verblijft sinds december 2004 bij appellante, waar zowel de moeder van [A.], [A.] zelf en appellante mee akkoord zijn gegaan.

1.2. Bij beschikking van 19 februari 2008 heeft de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot plaatsing van [A.] bij appellante voor de periode van 23 januari 2008 tot 14 december 2008.

1.3. Bij besluit van 10 april 2008 heeft BJZ een indicatiebesluit genomen als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg (WJZ) inhoudende verblijf bij pleegouder 24 uurs. Daarbij is vermeld dat plaatsing bij appellante plaatsvindt en dat voor de uitvoering van het indicatiebesluit een machtiging uithuisplaatsing nodig is. Het indicatiebesluit vermeldt dat hiermee voor appellante aanspraak op pleegzorg ontstaat.

1.4. Bij brief van 23 oktober 2008 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het niet eerder stellen van een indicatie pleegzorg. Volgens appellante dient deze indicatie in ieder geval met ingang van 1 januari 2005 te worden gesteld.

1.5. Bij besluit van 10 april 2009 heeft BJZ het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, voor zover het niet eerder stellen van een indicatie pleegzorg tot gevolg heeft gehad dat appellante niet in aanmerking is gebracht voor een pleegvergoeding over de periode van 19 februari 2008 tot 22 september 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de kinderrechter als bestuursrechter (hierna: kinderrechter), met een bepaling over vergoeding van griffierecht, het beroep tegen het besluit van 10 april 2009 gegrond verklaard en het bezwaar van appellante alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij haar bezwaar alsnog niet-ontvankelijk is verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 29 april 2008, LJN BD1113, r.o. 4.2.4, stelt de Raad vast dat hij bevoegd is om van het onderhavige hoger beroep kennis te nemen, nu dit is gericht tegen een uitspraak van de kinderrechter inzake een indicatiebesluit dat zijn grondslag vindt in de WJZ.

4.2. Volgens appellante heeft de rechtbank haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

4.3.1. Artikel 3, vierde lid, van de WJZ bepaalt dat een indicatiebesluit, dat strekt tot uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:261 van het Burgerlijk Wetboek (BW), niet eerder in werking treedt dan nadat de in dat artikel bedoelde machtiging van de kinderrechter is verkregen.

4.3.2. Artikel 5, eerste lid, van de WJZ bepaalt dat een stichting als BJZ tot taak heeft te bezien of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen, dan wel in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren.

4.3.3. Artikel 5, tweede lid, van de WJZ bepaalt dat tot de taak, bedoeld in het eerste lid, behoort het vaststellen of een cliënt is aangewezen op:

a. jeugdzorg waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat,

b. zorg, bestaande uit bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vormen van geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen waarop ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten dan wel ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat.

4.3.4. Artikel 6, eerste lid, van de WJZ bepaalt dat indien een stichting als BJZ een besluit neemt, waarbij wordt vastgesteld dat een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, zij daarbij in ieder geval geeft:

a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt, de ernst en de mogelijke oorzaken daarvan;

b. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg en het met die zorg beoogde doel;

c. de termijn gedurende welke de aanspraak geldt nadat de in het besluit voorziene zorg is aangevangen;

d. de termijn waarbinnen de aanspraak tot gelding moet zijn gebracht;

e. een advies wie de zorg kan of kunnen verlenen.

4.3.5. Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de WJZ bepaalt dat een stichting als BJZ bovendien tot taak heeft het, met uitsluiting van andere rechtspersonen en onverminderd artikel 1:254 van het BW, uitoefenen van de taak, genoemd in artikel 1:257 van het BW.

4.3.6. Op grond van artikel 23, eerste lid, van de WJZ verstrekt een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, aan een pleegouder waarmee hij een pleegcontract heeft gesloten een subsidie voor de opvoeding en verzorging van de in het gezin van de pleegouder geplaatste jeugdige.

4.3.7. Artikel 1:257, eerste lid, van het BW bepaalt dat een stichting als BJZ toezicht houdt op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun worden geboden teneinde de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden.

4.3.8. Artikel 1:261, eerste lid, van het BW bepaalt dat, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, de kinderrechter een stichting als BJZ op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

In het tweede lid is bepaald dat indien de uithuisplaatsing betrekking heeft op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de WJZ, het verzoek is gericht op effectuering van het besluit bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de WJZ en dat dit besluit bij het verzoek wordt overgelegd.

4.4. De Raad stelt, gelet op de onder 1.1 vermelde feiten, aan de hand van het hiervoor weergegeven wettelijk kader vast dat de indicatie tot plaatsing bij een pleegouder, waardoor aanspraak op pleegzorg ontstaat, in het onderhavige geval plaatsvindt in het kader van de uitoefening van de taak van BJZ ten behoeve van een onder toezicht gestelde jeugdige, waartoe BJZ ten behoeve van de uithuisplaatsing de machtiging van de kinderrechter behoeft. De Raad is met de kinderrechter van oordeel dat in zo’n situatie sprake is van een indicatiebesluit dat valt onder artikel 8:5, eerste lid, en onderdeel H, onder 3, van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat hiertegen geen beroep kan worden ingesteld en, gelet op artikel 7:1 van de Awb, hiertegen ook geen bezwaar kan worden gemaakt. Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 3, vierde lid, van de WJZ blijkt dat de wetgever hiervoor heeft gekozen teneinde dubbele procedures te voorkomen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 168, nr. 3, p. 52 en 85). De kinderrechter dient in het kader van de - civielrechtelijke - procedure tevens de rechtmatigheid van (het uitblijven van) een indicatiebesluit te toetsen. Een eventueel hoger beroep wordt beoordeeld door het - relatief - bevoegde gerechtshof.

4.5. Ten aanzien van het standpunt van appellante dat de door BJZ gedoogde situatie van het verblijf van [A.] bij haar, gezien moet worden als een aanwijzing betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:258 van het BW, en dat zij meent om die reden ontvankelijk te zijn in haar bezwaar, overweegt de Raad het volgende. Nog daargelaten de juistheid van dit standpunt van appellante, stelt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 28 april 2010, LJN BM6168, vast, dat tegen een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:258 van het BW evenmin bezwaar en beroep mogelijk is aangezien deze bepaling is opgenomen in onderdeel A, onder 3, van de bijlage bij de Awb.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kinderrechter het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. Uit hetgeen onder 4.6 is overwogen, volgt dat er geen ruimte bestaat om het verzoek van appellante tot veroordeling van BJZ tot vergoeding van schade toe te wijzen.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD