Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
10-4794 WJZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar. Het - beweerde - schadeveroorzakende handelen, het niet aanmelden van appellante bij een pleegzorginstelling respectievelijk het geven van onjuiste informatie, moet worden aangemerkt als feitelijk handelen van BJZ. De beslissing van 18 juni 2009 mist dan ook connexiteit met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De kinderrechter als bestuursrechter heeft dit niet onderkend. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/342
ABkort 2011/302
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4794 WJZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de beschikking (lees: uitspraak) van de kinderrechter als bestuursrechter van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2010, 352757/JE RK 10-145 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (hierna: BJZ)

Datum uitspraak: 22 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Correljé, advocaat te Hoek van Holland, hoger beroep ingesteld.

BJZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2011. Voor appellante is verschenen mr. Correljé en BJZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. van Seventer en A. van der Steen, beiden werkzaam bij BJZ.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten.

1.1. Bij beschikking van 19 september 2005 heeft de kinderrechter van de rechtbank Rotterdam de stiefkleindochter van appellante, [naam stiefdochter], geboren [in] 1999, met ingang van 19 september 2005 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van BJZ en een machtiging verleend tot plaatsing van [stiefdochter] bij appellante.

De ondertoezichtstelling is jaarlijks door de kinderrechter verlengd, laatstelijk tot 19 september 2009. De machtiging tot uithuisplaatsing is eveneens door de kinderrechter jaarlijks verlengd, zij het dat met ingang van medio 2007 dit een plaatsing in een pleeggezin betreft.

1.2. [stiefdochter] woont sinds medio 2005 bij appellante.

1.3. BJZ heeft appellante in september 2007 aangemeld bij een pleegzorginstelling. Sinds 17 oktober 2007 ontvangt zij een pleegvergoeding ten behoeve van [stiefdochter].

1.4. Appellante heeft bij brief van 2 februari 2009 aan BJZ gevraagd om vergoeding van schade wegens misgelopen pleegvergoeding tot een bedrag van € 10.957,30 ten behoeve van [stiefdochter] over de periode van september 2005 tot september 2007. De schade is volgens appellante veroorzaakt doordat BJZ verzuimd heeft appellante in september 2005 bij een pleegzorginstelling aan te melden.

1.5. Bij brief van 18 juni 2009 heeft BJZ dit verzoek afgewezen, omdat er geen grond is voor het achteraf toekennen van een pleegvergoeding voor de periode vóór 17 oktober 2007.

1.6. Tegen de afwijzing heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.7. Bij besluit op bezwaar van 10 maart 2010 heeft BJZ het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding ongegrond verklaard.

2. De kinderrechter als bestuursrechter heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. De kinderrechter is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat BJZ heeft verzuimd een melding te doen bij pleegzorg, zodat BJZ in redelijkheid het verzoek van appellante tot schadevergoeding van de hand heeft kunnen wijzen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt te zijn afgegaan op onjuiste informatie van BJZ over de voorwaarden om in aanmerking komen voor een pleegvergoeding, te weten de voorwaarde dat [stiefdochter] in de gemeentelijke basisadministratie moest zijn ingeschreven op het adres van appellante. Haar zoon wenste hieraan niet mee te werken. Deze onjuiste informatie heeft geleid tot het weigeren van pleegzorg door appellante en het door BJZ niet aanmelden van appellante bij een pleegzorginstelling.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad ziet zich - ambtshalve - gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het bezwaar van appellante tegen de brief van 18 juni 2009.

4.2. De volgende bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn van belang:

Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. (…)

Artikel 7:1

1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een administratieve rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken (…)

2. Tegen de beslissing op het bezwaar kan beroep worden ingesteld met toepassing van de voorschriften die gelden voor het instellen van beroep tegen het besluit waartegen bezwaar is gemaakt.

Artikel 8:1

1. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.

(…)

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 24 september 1997, LJN: ZB7200) wordt een beslissing op een verzoek om schadevergoeding aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, als voldaan is aan onder meer het vereiste van materiële connexiteit. Dat wil zeggen dat de gestelde schade is veroorzaakt door een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

4.4. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het - beweerde - schadeveroorzakende handelen, het niet aanmelden van appellante bij een pleegzorginstelling respectievelijk het geven van onjuiste informatie, moet worden aangemerkt als feitelijk handelen van BJZ. De beslissing van 18 juni 2009 mist dan ook connexiteit met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Op grond van de artikelen 8:1 en 7:1, eerste lid van de Awb is de beslissing van 18 juni 2009 daarom niet vatbaar voor bezwaar en vervolgens beroep bij de bestuursrechter. De burgerlijke rechter is bevoegd om ten gronde over de schadevordering te beslissen.

4.5. De kinderrechter als bestuursrechter heeft dit niet onderkend. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen, het beroep tegen het besluit van 10 maart 2010 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het bezwaar tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding van 18 juni 2009 niet-ontvankelijk verklaren.

4.6. De Raad ziet aanleiding om BJZ te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten zijn begroot op € 874,-- wegens verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,-- wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Omdat er in hoger beroep met toevoeging is geprocedeerd dienen de kosten van het hoger beroep aan de griffier van de Raad te worden betaald.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 10 maart 2010;

Verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

Veroordeelt BJZ in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan appellante zelf en tot een bedrag van € 874,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat BJZ aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 152,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD