Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0443

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
09/608 WWB + 09/610 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/608 WWB

09/610 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 december 2008, 08/3999 en 08/4002 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2011. Voor appellant is mr. Van Schijndel verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schokker, werkzaam bij de gemeente Delft.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 15 januari 2003 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van twee anonieme meldingen heeft de sociale recherche van de gemeente Delft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek gedaan, is een observatie bij wijkcentrum [naam wijkcentrum ] te [naam gemeente] uitgevoerd, zijn inlichtingen ingewonnen bij [naam B.V.] te [naam gemeente 2], bij de bijstandconsulent P. van Niekerk en bij dhr. Atwaroe van de Stichting Spirit te [naam gemeente 2] en is appellant verhoord. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 december 2006.

1.3. Bij besluit van 14 december 2006 heeft het College op grond van de onderzoeksresultaten de bijstand over de periode van 1 oktober 2003 tot en met 31 oktober 2006 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 35.618,74 van appellant teruggevorderd. Bij ongedateerd besluit, door appellant ontvangen op 5 mei 2007, heeft het College voorts de bijstand met ingang van 1 november 2006 ingetrokken.

1.4. Bij afzonderlijke besluiten van 23 april 2008 zijn de bezwaren tegen de onder 1.3 vermelde besluiten ongegrond verklaard. Hieraan is, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft ten aanzien van de periode hier in geding de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Hij heeft geen melding gemaakt van de werkzaamheden die hij als pandit (hindoe-priester) heeft verricht en van de inkomsten die hij hiervoor heeft ontvangen. Hij heeft evenmin melding gemaakt van de vele kasstortingen die hij vanuit Nederland naar Suriname heeft gedaan, terwijl de herkomst van deze gelden en de reden van deze stortingen niet duidelijk zijn geworden. Ook heeft appellant diverse buitenlandse reizen niet gemeld en is de wijze van bekostiging van deze reizen niet duidelijk geworden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 23 april 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de werkzaamheden als pandit heeft hij de wettelijke inlichtingenverplichting niet geschonden, omdat de bijstandconsulent van deze werkzaamheden op de hoogte was. Ook indien moet worden aangenomen dat de bijstandconsulent hiervan niet op de hoogte was, hoefde hij, gelet op de minimale reiskostenvergoeding die hij voor de zondagdiensten heeft ontvangen, de voor deze werkzaamheden ontvangen inkomsten niet te melden. Voorts mocht hij er in redelijkheid van uitgaan dat ook de buitenlandse reizen niet hoefden te worden gemeld, nu hij de toegestane dertien weken vakantie per jaar niet heeft overschreden, hij van de arbeidsverplichtingen was ontheven en de reizen geen invloed hebben op zijn recht op bijstand. Hetzelfde geldt voor de kasstortingen, nu deze stortingen betrekking hebben op gelden van en ten behoeve van derden. Er was dan ook geen grond voor intrekking van de bijstand. Op grond van het voorgaande had het College voorts met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van terugvordering moeten afzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat appellant de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Appellant heeft ten tijde van belang geen melding gemaakt van zijn werkzaamheden als pandit, de vele door hem gedane kasstortingen vanuit Nederland naar Suriname en de meeste van zijn buitenlandse reizen. Voor al deze feiten en omstandigheden geldt dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed konden zijn op het recht op bijstand. De stelling van appellant dat hij zijn werkzaamheden als pandit niet hoefde te melden omdat de bijstandsconsulent hiervan op de hoogte was, slaagt reeds niet, nu hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijstandconsulent van deze werkzaamheden, laat staan van de omvang hiervan, op de hoogte was. De stelling dat hij de buitenlandse reizen niet hoefde op te geven omdat hij de toegestane dertien weken vakantie niet heeft overschreden en hij was ontheven van de arbeidsverplichtingen, slaagt evenmin. Appellant was tot melding van deze reizen verplicht teneinde het College in staat te stellen om, onder meer, te beoordelen of de maximaal toegestane vakantieduur werd overschreden. De stelling dat hij de door hem gedane kasstortingen vanuit Nederland naar Suriname niet hoefde te melden omdat deze stortingen betrekking hebben op gelden van en ten behoeve van derden, slaagt ten slotte ook niet. Appellant heeft niet met objectiveerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd, dat de door hem gedane kasstortingen gelden betroffen van derden.

4.2. Het betoog van appellant dat het niet melden van zijn werkzaamheden als pandit, de door hem gedane kasstortingen en zijn buitenlandse reizen de intrekking van bijstand niet rechtvaardigt omdat ze geen invloed hebben op zijn recht op bijstand, onderschrijft de Raad niet. Appellant heeft niet inzichtelijk gemaakt welke inkomsten of vergoedingen hij uit zijn werkzaamheden als pandit heeft ontvangen. De door appellant overgelegde overzichten van de [naam Stichting] inzake de reiskostenvergoedingen voor de door appellant geleide diensten in wijkcentrum [naam wijkcentrum ] te [naam gemeente] zijn daarvoor onvoldoende. Uit deze overzichten blijkt niet op welke dagen appellant diensten heeft geleid en hoeveel uren met deze op geld waardeerbare werkzaamheden gemoeid zijn geweest. Voorts zijn deze overzichten achteraf opgemaakt en niet met objectiveerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd. Hiernaast staat vast dat appellant ten tijde van belang in zijn hoedanigheid van pandit niet alleen diensten heeft geleid, maar ook adviseur en dienstverlener van de [naam Stichting] is geweest en heeft opgetreden in geval van een overlijden of huwelijk. De Raad acht niet aannemelijk dat appellant ook met deze op geld waardeerbare werkzaamheden in het geheel geen inkomsten heeft verworven. Appellant heeft voorts niet met objectiveerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd dat de door hem gedane kasstortingen en de reizen naar het buitenland, indien hij daarvan melding had gemaakt, geen invloed zouden hebben gehad op zijn recht op bijstand. Het College heeft dan ook terecht de conclusie getrokken dat op grond van de beschikbare gegevens het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, zodat het College bevoegd was tot intrekking van de bijstand met ingang van 1 oktober 2003.

4.3. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, biedt ten slotte geen grond voor het oordeel dat het College met toepassing van artikel 4:84 van de Awb op voor appellant gunstige wijze had moeten afwijken van zijn beleid om alleen in dringende redenen van terugvordering af te zien.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.L.G. Boot.

HD