Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0436

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
09/5952 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5952 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 oktober 2009, 08/1563 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schröder. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Heidebrink, werkzaam bij de gemeente De Ronde Venen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 11 april 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 5 april 2007 is de bijstand, na eerdere opschorting van het recht op bijstand, met ingang van 19 maart 2007 ingetrokken. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant ook desgevraagd geen nadere informatie heeft verstrekt over het uitschrijven van zijn kinderen van de school in [naam gemeente] per 16 januari 2006 en uit de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens per 9 januari 2007. Tegen deze intrekking zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Naar aanleiding van een vermoeden dat appellant al lange tijd niet meer woonde op het bij het College bekende adres [adres 1] te [naam gemeente] is een onderzoek naar de feitelijke woonsituatie van appellant gestart. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is informatie bij verschillende instanties opgevraagd, en heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden. Daarbij zijn bewoners uit de directe omgeving van evengenoemd adres en het adres [adres 2] te [woonplaats] gehoord. Laatstgenoemd adres betreft de woning van de ouders van appellant bij wie de kinderen van appellant sinds 9 januari 2007 staan ingeschreven. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 november 2007.

1.3. Op basis daarvan heeft het College bij besluit van 5 februari 2008, bij besluit van 29 april 2008 na bezwaar gehandhaafd, de bijstand van appellant met ingang van 16 januari 2006 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 16 januari 2006 tot 19 maart 2007 tot een bedrag van € 14.274,60 teruggevorderd. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd, onder verwijzing naar het in 1.2 genoemde onderzoek, dat appellant sinds 16 januari 2006 niet langer woonde op het bij het College bekende adres van appellant, maar bij zijn ouders (en kinderen) te [woonplaats].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 29 april 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat uit de verklaringen van de buurtbewoners uit [naam gemeente] blijkt dat hij vanaf 16 januari 2006 niet meer woonde op het adres in [naam gemeente]. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat deze verklaringen steun vinden in het gas- en elektraverbruik van deze woning nu dit in de in geding zijnde periode drastisch is afgenomen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling waarbij hij voor wat betreft het wettelijk kader verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad stelt vast dat in dit geding beoordeeld dient te worden de intrekking van de bijstand van appellant over de periode van 16 januari 2006 tot en met 18 maart 2007.

4.2. Appellant heeft aangevoerd dat de verklaringen van buurtbewoners uit [naam gemeente] niet betrouwbaar zijn. Deze zouden een gekleurd, negatief beeld van hem hebben, waarbij een deel van de buurtbewoners overtuigd is van zijn betrokkenheid bij de verdwijning van zijn ex-vrouw. In dit kader wijst hij erop dat sommige buurtbewoners in een agenda bijhielden wanneer hij aanwezig was op zijn adres en beschikten over meerdere exemplaren van een tijdschrift waarin een artikel stond waarin appellant in verband wordt gebracht met de verdwijning van zijn ex-vrouw. Daarnaast wijst appellant op de hoge leeftijd van twee gehoorde buurtbewoners, te weten de heer en mevrouw [naam buurtbewoners].

4.3. Evenals de rechtbank en het College ziet de Raad geen grond de door de buurtbewoners uit [naam gemeente] afgelegde verklaringen in twijfel te trekken. De verklaringen zijn afkomstig van directe buren naast en tegenover de woning van appellant. De buurtbewoners hebben, onafhankelijk van elkaar, verklaringen van gelijkluidende strekking afgelegd. De verklaringen zijn gedetailleerd en zien uitsluitend op de feitelijke situatie op het adres van appellant in de periode vanaf 16 januari 2006. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de (inhoud van de) verklaringen niet betrouwbaar zijn. De Raad ziet evenmin aanleiding de verklaringen van de heer en mevrouw [naam buurtbewoners] buiten beschouwing te laten uitsluitend op grond van hun leeftijd. Uit de verklaringen van de buurtbewoners blijkt dat appellant vanaf 16 januari 2006, zijnde de datum van de politie-inval in de woning op het adres van appellant, uitsluitend sporadisch en gedurende korte tijd op dit adres aanwezig was en dat de woning verder onbewoond was. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de verklaringen steun vinden in het gas- en elektraverbruik op het adres van appellant nu uit deze gegevens blijkt dat het verbruik over de in geding zijnde periode drastisch is afgenomen tot nagenoeg nihil.

4.4. De stelling van appellant, dat deze afname verklaarbaar is omdat zijn kinderen vanaf 16 januari 2006 niet meer op zijn adres woonden en hij vaak bij zijn kinderen te [woonplaats] verbleef, volgt de Raad niet. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat hiermee geen afdoende verklaring is gegeven voor het extreem lage verbruik van elektra (5 kWh) en het volledig ontbreken van gasverbruik in een periode van circa een jaar. In dit verband merkt de Raad nog op dat appellant tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd door enerzijds te verklaren dat hij uitsluitend op zijn eigen adres sliep en anderzijds dat hij geregeld bij zijn kinderen op het adres van zijn ouders te [woonplaats] sliep.

4.5. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant ten tijde in geding geen woonplaats had in [naam gemeente], zodat hij toentertijd geen recht op bijstand had jegens het College. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het onder 1.2 genoemde adres in [naam gemeente], zoals appellant ter zitting van de Raad desgevraagd nog heeft verklaard, het enige adres in [naam gemeente] was waar hij verblijf hield. Door daarvan geen melding te maken heeft appellant de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden en als gevolg daarvan ten onrechte bijstand ontvangen.

4.6. Het College was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot intrekking van de bijstand. Appellant heeft de wijze van uitoefening van die bevoegdheid niet bestreden. Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat de Raad deze verder buiten bespreking zal laten.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B. Bekkers.

JJ