Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0415

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
10-6780 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling terugvorderingsbedrag. De Raad stelt vast dat de RSD zich nauwgezet aan de in de uitspraak van 28 april 2009, LJN BI4339, gegeven opdracht heeft gehouden en dienovereenkomstig heeft beslist in het nieuwe besluit op bezwaar van 11 augustus 2009. Aangezien tegen de wijze waarop RSD uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de Raad geen gronden zijn aangevoerd en de berekening van het terug te vorderen bedrag door appellant evenmin in geschil is, komt de Raad aan de beoordeling hiervan verder niet toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6780 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 5 november 2010, 09/1179 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard (hierna: RSD).

Datum uitspraak: 28 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P. Vandervoodt, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De RSD heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2011. Voor appellant is verschenen mr. C. van der Kuilen, kantoorgenoot van mr. Vandervoodt. De RSD heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Z. Schoemaker en M. van Munster, beiden werkzaam bij de Regionale Sociale Dienst Hoeksche Waard.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 26 juli 2006, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2006, heeft de RSD de bijstand van appellant over de periode van 6 september 2002 tot en met 5 augustus 2004 herzien op de grond dat hij de beschikking had over een rekening bij de Rabobank waarop regelmatig stortingen plaatsvonden welke hij niet had gemeld bij de gemeente Numansdorp of aan de RSD en dat hij over de gestorte gelden kon beschikken, zodat deze gelden tot zijn middelen gerekend moeten worden. Tevens zijn de kosten van de aan appellant over de genoemde periode verleende bijstand tot een bedrag van € 7.497,17 van appellant teruggevorderd. De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 juli 2007, 06/1399 en 06/1414, het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2006 ongegrond verklaard.

1.2. Bij uitspraak van 28 april 2009, LJN BI4339, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 13 juli 2007 vernietigd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 5 oktober 2006 betreffende de herziening en terugvordering ongegrond is verklaard, het beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover dat ziet op de herziening dan wel intrekking van bijstand over de onder 4.1.9 van die uitspraak aangeduide maanden en op de terugvordering en bepaald dat de RSD een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van die uitspraak. Daartoe is overwogen, kort weergegeven, dat appellant voor een deel van de op zijn rekening bij de Rabobank gestorte bedragen voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gaat om bedragen die zijn opgenomen van zijn ABN-AMRO rekening, zodat deze bedragen niet als middelen van appellant in aanmerking kunnen worden genomen. Het gaat hier om de specifiek aangegeven stortingen op de Rabo rekening waaraan daags tevoren een geldopname van de ABN-AMRO rekening tot hetzelfde of tot een hoger bedrag is voorafgegaan.

1.3. Ter uitvoering van de uitspraak van de Raad heeft de RSD bij besluit 11 augustus 2009 opnieuw op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 juli 2006 beslist. De RSD heeft het besluit van 26 juli 2006 gedeeltelijk gehandhaafd in die zin dat het terug te vorderen bedrag is vastgesteld op € 5.505,46 bruto.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 11 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. De Raad volgt niet de stelling van appellant dat hij ten onrechte voorafgaand aan het nemen van het nieuwe besluit van 11 augustus 2009 niet opnieuw is gehoord. Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb biedt geen aanknopingspunten voor een algemene verplichting tot het opnieuw horen indien een bestuursorgaan een nieuw besluit op bezwaar neemt ter voldoening aan een uitspraak van de Raad. Dat neemt niet weg dat het onder omstandigheden uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk kan zijn om belanghebbenden bij het nemen van een nieuw besluit te horen. Een zodanige situatie doet zich in dit geval niet voor. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellant op 25 september 2006 is gehoord met betrekking tot het samenstel van feiten en omstandigheden dat ook aan het nieuw genomen besluit op bezwaar ten grondslag ligt en dat appellant niets heeft aangevoerd op grond waarvan het nogmaals horen van hem een toegevoegde waarde zou hebben.

3.2. De Raad wijst er voorts op dat in zijn uitspraak van 28 april 2009 een onherroepelijk oordeel is gegeven over de kwestie welke door appellant gestorte bedragen niet als middelen kunnen worden betrokken bij het vaststellen van het recht op bijstand. Anders dan appellant kennelijk meent, beperkt het hoger beroep zich derhalve tot de vraag of de RSD op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan die uitspraak. De Raad stelt vast dat de RSD zich nauwgezet aan de in de uitspraak van 28 april 2009, LJN BI4339, gegeven opdracht heeft gehouden en dienovereenkomstig heeft beslist in het nieuwe besluit op bezwaar van 11 augustus 2009. Aangezien tegen de wijze waarop RSD uitvoering heeft gegeven aan de opdracht van de Raad geen gronden zijn aangevoerd en de berekening van het terug te vorderen bedrag door appellant evenmin in geschil is, komt de Raad aan de beoordeling hiervan verder niet toe.

3.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. de Jong.

RS