Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
10/4643 WWB + 10/6346 WW + 10/6347 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College met betrekking tot zijn besluitvorming over de arbeids- en integratieverplichtingen van appellant, heeft mogen afgaan op het medisch- en arbeidskundig advies van 9 respectievelijk 22 april 2010, omdat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van deze adviezen. De Raad komt dan ook met de rechtbank tot het oordeel dat het College appellant terecht geen verdergaande ontheffing van zijn arbeidsverplichtingen verleend heeft dan waarbij een actieve sollicitatieverplichting voor 32 uur per week overblijft. Geen dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4643 WWB

10/6346 WWB

10/6347 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2010, 10/2471 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en van 14 oktober 2010, 10/3503 en 10/3541 (hierna: aangevallen uitspraak 2)

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroepen ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 10 mei 2011. Daarbij zijn de zaken ter behandeling gevoegd. Appellant en zijn raadsman zijn met bericht van verhindering niet verschenen. Het College heeft zich met betrekking tot het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, en met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 door mr. J.E. Carter, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 19 maart 2010 heeft appellant op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een aanvraag om bijstand ingediend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. In afwachting van de uitslag van een medische keuring, heeft het College appellant bij besluit van 24 maart 2010 ontheffing verleend van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WWB genoemde arbeidsverplichtingen, voor zover dit de actieve sollicitatieverplichting betreft.

1.3. Bij besluit van 8 april 2010 heeft het College appellant met ingang van 29 maart 2010 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Daarbij is de norm verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 10%. Hierbij heeft het College toepassing gegeven aan artikel 3, vierde lid, van de met ingang van 3 oktober 2009 in de gemeente Amsterdam in werking getreden Toeslagenverordening Wet werk en bijstand en Wet investering in jongeren (hierna: Verordening). Bij dit artikel is - voor zover hier van belang - bepaald dat de basisnorm voor een alleenstaande van 23 jaar of ouder die hoofdverblijf heeft in een woning waarin tevens een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verhoogd met 10% van het netto minimumloon.

1.4. In het kader van een belastbaarheidsonderzoek is appellant onderzocht door een bedrijfsarts en gezien door een arbeidsdeskundige. In het medisch advies van 9 april 2010 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat appellant voor 32 uur per week voor reguliere arbeid belastbaar is, rekening houdend met zijn beperkingen. Uit het arbeidskundig advies van 22 april 2010 blijkt dat appellant bemiddelbaar wordt geacht naar arbeid gedurende 32 uur per week en dat hij eveneens in staat wordt geacht deel te nemen aan een arbeidstraject en maatschappelijke participatie.

1.5. De onder 1.4 genoemde adviezen zijn voor het College aanleiding geweest bij besluit van 26 april 2010 de bij besluit van 24 maart 2010 voorlopig verleende ontheffing van de actieve sollicitatieplicht in die zin te wijzigen dat appellant nu ook verplicht wordt actief te solliciteren naar arbeid voor 32 uur per week.

1.6. Bij besluit van 12 mei 2010 (hierna: besluit I) heeft het College het door appellant tegen het besluit van 24 maart 2010 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van de bij besluit van 24 maart 2010 voorlopig verleende ontheffing, nu bij besluit van 26 april 2010 de arbeidsverplichtingen voor appellant definitief zijn vastgesteld.

1.7. Bij besluit van 21 juli 2010 (hierna: besluit II) heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 april 2010 ongegrond verklaard op de grond dat het College geen aanleiding heeft gezien te twijfelen aan de juistheid van de onder 1.4 genoemde medische- en arbeidskundige adviezen.

1.8. Bij besluit van 23 juli 2010 (hierna: besluit III) heeft het College het door appellant gemaakte bezwaar tegen de bij besluit van 8 april 2010 toegekende toeslag van 10%, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van hulpbehoevendheid van de ouders van appellant, zoals bedoeld in artikel 3, negende lid, van de Verordening, op grond waarvan de norm met 20% wordt verhoogd.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen besluit I niet ontvankelijk verklaard. Hierbij heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant geen belang meer heeft bij de beoordeling dat besluit. Het resultaat dat appellant met dit beroep wil bereiken, een definitieve ontheffing van de arbeidsverplichtingen, kan naar het oordeel van de rechtbank aan de orde worden gesteld in de bezwaar- en beroepsprocedure tegen het besluit van 26 april 2010 respectievelijk besluit II.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten II en III ongegrond verklaard.

2.2.1. Ten aanzien van besluit II heeft de rechtbank daarbij overwogen dat het College zich bij het opleggen van de sollicitatieverplichting voor 32 uur per week heeft mogen baseren op de in het kader van het belastbaarheidsonderzoek uitgebrachte medische en arbeidskundige adviezen. Voorts heeft de rechtbank geen dringende redenen aanwezig geacht op grond waarvan het College appellant met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB zou kunnen ontheffen van de aan de bijstand verbonden arbeidsverplichtingen.

2.2.2. Ten aanzien van besluit III heeft de rechtbank geoordeeld dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet met toepassing van artikel 3, negende lid, van de Verordening in aanmerking komt voor een verhoging van de norm met 20%. De rechtbank heeft hierbij van betekenis geacht dat appellant niet heeft onderbouwd dan wel anderszins heeft aangetoond dat zijn ouders hulpbehoevend zijn.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 betwist dat hij geen belang had bij de beoordeling van zijn beroep tegen besluit I. Naar zijn mening had de rechtbank de door hem gewenste ontheffing van de arbeidsverplichtingen wel degelijk moeten beoordelen in de beroepsprocedure tegen besluit I.

3.2.1. Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 aangevoerd, voor zover deze de opgelegde sollicitatieverplichting betreft, dat hij ongeschikt is om enige vorm van arbeid te kunnen verrichten. De opgelegde verplichtingen kunnen dan ook in redelijkheid niet van hem worden gevergd.

3.2.2. Voor zover de aangevallen uitspraak 2 betrekking heeft op de verhoging van de norm heeft appellant in hoger beroep aangevoerd dat zijn ouders wel degelijk hulpbehoevend en van hem afhankelijk zijn, zodat hij met toepassing van de Verordening recht heeft op een toeslag van 20%.

4.1. Met betrekking tot de aangevallen uitspraak 1 komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant geen zelfstandig procesbelang had bij een beoordeling van besluit I. De Raad kan zich verenigen met de onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank. Daarbij wijst de Raad er nog op dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 ten aanzien van besluit II beoordeeld heeft of er aanleiding was, om, zoals appellant tegen besluit I had aangevoerd, tot een verdergaande ontheffing te komen dan waartoe het College had besloten.

4.2. Met betrekking tot het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 komt de Raad tot het volgende oordeel.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College met betrekking tot zijn besluitvorming over de arbeids- en integratieverplichtingen van appellant, heeft mogen afgaan op het medisch- en arbeidskundig advies van 9 respectievelijk 22 april 2010, omdat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van deze adviezen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat hierbij van belang is dat appellant zelf geen medische stukken in het geding heeft gebracht die andere of een toename van de beperkingen aan het licht brengen. De Raad stelt vast dat betrokkene ook in hoger beroep heeft nagelaten zijn herhaalde stelling, dat hij in het geheel niet in staat is tot arbeid, met een medisch stuk te onderbouwen. De Raad komt dan ook met de rechtbank tot het oordeel dat het College appellant terecht geen verdergaande ontheffing van zijn arbeidsverplichtingen verleend heeft dan waarbij een actieve sollicitatieverplichting voor 32 uur per week overblijft. De Raad volgt de rechtbank eveneens in haar oordeel dat er geen dringende redenen zijn aangevoerd op grond waarvan het College met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de WWB appellant had kunnen ontheffen van deze verplichting.

4.2.2. Nu appellant in hoger beroep met betrekking tot de van toepassing zijnde toeslag slechts heeft volstaan met een herhaling van zijn in bezwaar en beroep aangevoerde standpunt dat zijn ouders hulpbehoevend zijn, zonder dit met enig stuk nader te onderbouwen, ziet de Raad aanleiding het onder 2.2.2 weergegeven oordeel van de rechtbank te volgen.

4.3. Hetgeen de Raad onder 4.1 tot en met 4.2.2 heeft overwogen brengt met zich dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken voor bevestiging in aanmerking komen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

In de zaak met nummer 10/4643 WWB:

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1;

In de zaken met de nummers 10/6346 WWB en 10/6347 WWB:

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2011.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) I. Mos.

HD