Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0375

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
10-5889 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5889 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2010, 07/2903 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2011. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als anjerplukster voor 47,5 uur per week. Op 14 mei 2004 is zij voor dat werk uitgevallen met diverse lichamelijke klachten. Op haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 27 maart 2006 afwijzend beslist, omdat appellante per 12 mei 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Primair heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellante geschikt is voor haar eigen werk en subsidiair voor de aan haar voorgehouden andere functies. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is door het Uwv - na een procedure bij de rechtbank - wederom ongegrond verklaard bij het besluit van 25 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

2.1. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank aanleiding gezien revalidatiearts W.C.G. Blanken als deskundige te benoemen. De deskundige heeft op 21 juli 2009 van zijn bevindingen verslag gedaan. Hij heeft de vraag welke beperkingen appellante had op de datum in geding, 12 mei 2006, beantwoord en ingestemd met de door het Uwv ten aanzien van appellante vastgestelde belastbaarheid per die datum, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 19 juli 2006. Met de vastgestelde beperkingen moet appellante naar zijn mening in staat worden geacht het eigen werk van anjerplukster te verrichten. Een aanvullend onderzoek achtte de deskundige niet noodzakelijk.

2.2. De rechtbank heeft gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 19 augustus 2009, LJN BJ5867) waarin besloten ligt dat het oordeel van een onafhankelijke, door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. Van een bijzondere omstandigheid die aanleiding vormt een uitzondering op die hoofdregel aan te nemen, is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen dat uit de rapportage van de deskundige blijkt dat zijn onderzoek volledig en voldoende zorgvuldig is geweest. Voorts heeft de deskundige zijn conclusies omtrent de belastbaarheid van appellante op de datum in geding, 12 mei 2006, van een deugdelijke motivering voorzien.

2.3. De rechtbank acht door de arbeidsdeskundigen van het Uwv voldoende toegelicht dat de beperkingen van appellante niet in de weg staan aan het verrichten van haar eigen werk. Dit betekent dat appellante in staat wordt geacht het eigen werk van anjerplukster per 12 mei 2006 volwaardig te kunnen verrichten, zodat er geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA. Gelet hierop behoeven naar het oordeel van de rechtbank de gronden van appellante ten aanzien van de geschiktheid van de haar voorgehouden andere functies geen bespreking meer.

3. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt gehandhaafd dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en dat zij niet in staat is te hervatten in het eigen werk noch in andere werkzaamheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op het hoger beroep is in geschil het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit rust op een voldoende medische grondslag. Ook de Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen en de conclusies van de deskundige Blanken, zoals vervat in diens rapport van 21 juli 2009. Hetgeen appellante in hoger beroep aanvoert, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. Het door appellante ingebrachte rapport van de door haar geraadpleegde verzekeringsarts R. de Loo-Aykut van 15 december 2010 werpt geen ander licht op haar medische situatie op de datum in geding. De in dat rapport opgenomen medische gegevens zijn door de bezwaarverzekeringsarts reeds meegenomen bij de beoordeling van de medische beperkingen van appellante, zoals die zijn vastgelegd in de door voornoemde deskundige geaccordeerde FML.

4.3. De Raad deelt ook het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid ziet ook de Raad geen grond voor het oordeel dat appellante op en na 12 mei 2006 niet voor haar eigen werk geschikt zou zijn.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Chr. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2011.

(get.) Chr. van Voorst.

(get.) R.L. Venneman.