Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
04-07-2011
Zaaknummer
10-289 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat (de behandelend psychiater) op geen enkele manier in de eerdere brieven en in het bijzonder in de brief van 11 oktober 2007 bevindingen beschreef of conclusies trok, waaraan aanknopingspunten zouden kunnen worden ontleend voor de aanwezigheid van (symptomen van) een ptss reeds op de datum in geding. Van de zijde van appellante zijn ook geen nadere medische gegevens in het geding gebracht ter ondersteuning van haar standpunt dat ten tijde van deze datum al sprake was van (symptomen van) een ptss. Geschiktheid functies. Beheersing Nederlandse taal op opleidingsniveau 1.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/289 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 december 2009, 08/2156 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 juli 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat te Sint-Michielsgestel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij rapporten overgelegd van de bezwaarverzekeringsarts A. Deitz van 3 maart 2010 en van de bezwaararbeidsdeskundige F.J.M. van den Bliek van 8 maart 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2011.

Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en O. Ersoy. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, die tot 29 september 2002 werkzaam was via een uitzendbureau, heeft zich met ingang van 11 november 2005 ziek gemeld met psychische klachten vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet.

2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 9 oktober 2007 onderzocht door de verzekeringsarts R.H.P. Draaijer. Deze arts beschreef in een rapport van dezelfde datum de bevindingen van het medisch onderzoek, stelde als diagnose depressie en won informatie in bij de behandelend psychiater Y. Güzelcan. Deze zond brieven van 20 maart en 11 oktober 2007 in, waarin hij het beloop en de behandeling beschreef en aangaf dat sprake was van een ernstige onderscheidenlijk matige recidiverende depressie stoornis. Draaijer concludeerde hierop in een rapport van 23 oktober 2007 dat door de behandeling de klachten van appellante verbeterd waren en dat zij vanwege de matige depressie aangewezen was op niet stressvolle en voorspelbare werkzaamheden in een relatief rustige werkomgeving waarbij zij kan terugvallen op anderen. De beperkingen legde Draaijer vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), waarna de arbeidsdeskundige in een rapport van 27 november 2007 na functieduiding berekende dat er geen verlies aan verdienvermogen was. Vervolgens stelde het Uwv bij besluit van 3 december 2007 vast dat er voor appellante met ingang van 9 november 2007 geen recht was ontstaan op een Wet WIA-uitkering.

3.1. In de bezwaarprocedure legde appellante een brief van Güzelcan van 6 maart 2008 over, waarin hij vermeldde dat appellante op 9 januari 2008 was opgenomen met ernstige depressieve klachten en suïcidaliteit en dat tevens de diagnose posttraumatische stressstoornis (ptss) was gesteld. Tevens gaf hij aan dat er een positief effect was van behandeling met psychotherapie en antidepressiva.

3.2. De bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans concludeerde in zijn rapport van 13 mei 2008 dat de door Draaijer opgevraagde informatie in grote mate overeenstemde met de bevindingen van het onderzoek van Draaijer en dat de in 3.1 vermelde brief van Güzelcan geen relevante informatie ten aanzien van de medische situatie van appellante op de datum in geding bevatte. Hofmans onderschreef de FML. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 19 mei 2000 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 december 2007 ongegrond.

4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 3 december 2007 (besteden besluit) ongegrond.

4.2. De rechtbank achtte het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig en zag geen aanleiding de FML voor onjuist te houden. Zij onderschreef de visie van Hofmans ten aanzien van de brief van Güzelcan van 6 maart 2008. Voorts was de rechtbank – onder verwijzing naar het in overweging 2 vermelde arbeidskundig rapport, het resultaat functiebeoordeling van de geduide functies, het geldende Schattingsbesluit en de Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden – van oordeel dat appellante voldeed aan de slechts eenvoudige eisen ten aanzien van het gebruik van de Nederlandse taal in die functies.

5. In hoger beroep heeft appellante haar in eerdere fasen van de procedure voorgebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald.

6.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. De Raad tekent daarbij aan dat, zoals de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans in een in beroep uitgebracht rapport van 13 augustus 2008 opmerkte, uit de brief van Güzelcan van 6 maart 2008 niet duidelijk wordt op welke bevindingen de diagnose ptss gebaseerd was en vanaf welk tijdstip deze diagnose diende te gelden. Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat Güzelcan op geen enkele manier in de eerdere brieven en in het bijzonder in de brief van

11 oktober 2007 bevindingen beschreef of conclusies trok, waaraan aanknopingspunten zouden kunnen worden ontleend voor de aanwezigheid van (symptomen van) een ptss reeds op de datum in geding. Van de zijde van appellante zijn ook geen nadere medische gegevens in het geding gebracht ter ondersteuning van haar standpunt dat ten tijde van deze datum al sprake was van (symptomen van) een ptss.

6.2. De Raad heeft, gezien het meergenoemde arbeidskundig rapport van 27 november 2007 en het in rubriek I vermelde rapport van bezwaararbeidsdeskundige Van den Bliek, waarin enkele aspecten van de motivering van de medische geschiktheid van de geduide functies door de arbeidsdeskundige, nog eens nader zijn toegelicht, evenmin als de rechtbank aanleiding gezien de motivering van die geschiktheid onvoldoende te achten.

6.3. Wat betreft de eisen gesteld aan de beheersing van de Nederlandse taal stelt de Raad zich achter het oordeel van de rechtbank, zoals dat samengevat is weergegeven in overweging 4.2. De Raad tekent daarbij aan dat op de arbeidsmogelijkhedenlijst voor alle functies het opleidingsniveau 1 is vermeld en dat, zoals door Van den Bliek is aangegeven en ook in het Resultaat functiebeoordeling naar voren komt, in deze functies steeds het mondeling geven van opdrachten en uitleg mogelijk is.

6.4. De overwegingen 6.1 tot en met 6.3 leiden de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J. Brand en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

EK