Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0147

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
09-2213 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Door de onjuiste opgave van zijn feitelijke woon- en verblijfadres aan het College heeft appellant de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand ten tijde in geding niet is vast te stellen. Het College was derhalve bevoegd de bijstand van appellant in trekken en te beëindigen. De wijze van uitoefening van die bevoegdheden is door appellant niet bestreden. Omtrent de terugvordering zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd zodat dit aspect geen verdere bespreking behoeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2213 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amhem van 12 maart 2009, 08/3534 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J.P.C.G. Verheijen, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is aan de orde gesteld op de zitting van 10 mei 2011. Partijen zijn, met bericht vooraf, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en toepasselijke wet- en andere regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving sinds 1 mei 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Vanaf 2 mei 2005 staat appellant in de Gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres [Adres A.] te Nijmegen. Naar aanleiding van een fraudemelding heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader is onder meer dossieronderzoek verricht, heeft een huisbezoek plaatsgevonden en zijn appellant, zijn zus en de partner van de verhuurder van de woning [Adres A.] verhoord.

1.2. Op grond van de onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 7 mei 2008 de bijstand van appellant met ingang van 8 mei 2008 beëindigd, de hem over de periode van 25 februari 2006 (lees: 2007) tot en met 7 mei 2008 verleende bijstand ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode van hem teruggevorderd tot een

bedrag van € 13.062,97. Bij besluit van 30 juni 2008 is het bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2008 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellant geen juiste opgave heeft gedaan over de plaats van zijn feitelijke hoofdverblijf waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 juni 2008 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de bevindingen tijdens het huisbezoek op 11 april 2008, bezien in samenhang met de verklaringen van appellant en zijn zus, voldoende grondslag bieden voor de conclusie dat appellant ten tijde in geding niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres aan de [adres A]

3. In hoger beroep heeft appellant, kort gezegd, aangevoerd dat hij nauwelijks kleding of persoonlijke bezittingen heeft, dat hij geen verzorgingsartikelen in huis heeft omdat hij elders doucht, dat hij zijn administratie altijd in een plastic tas bij zich draagt, dat bij het huisbezoek en tijdens de verhoren sprake is geweest van miscommunicatie, en dat hij en

zijn zus de verzorging van zijn ernstig zieke vader te [plaatsnaam] op zich hebben genomen

waardoor hij met name de tweede helft van de periode in geding veel daar heeft

verbleven.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant ten tijde in geding op het adres [Adres A.] niet zijn feitelijke hoofdverblijf had. Ook de Raad neemt daarbij als uitgangspunt de door appellant op 8 februari 2008 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde verklaring, waarin hij stelt het laatste jaar niet of nauwelijks nog te verblijven op zijn kamer aan de [adres A] De Raad ziet met de rechtbank geen aanleiding appellant niet aan deze door hem ondertekende verklaring te houden. Deze verklaring vindt bovendien steun in de verklaring van de zus van appellant van 25 februari 2008 dat appellant in die periode veel bij zijn ernstig zieke vader in [plaatsnaam] is geweest en in de bevindingen tijdens het huisbezoek aan de [Adres A.] op 11 april 2008, waarbij als kamer van appellant werd getoond een ruimte van twee bij drie meter zonder vloerbedekking, met enkel een matras op de grond zonder dekens of lakens en waarbij verder geen noemenswaardige persoonlijke bezittingen, zoals kleding, artikelen voor persoonlijke verzorging, administratie, zijn aangetroffen of anderszins aanwijzingen zijn

gevonden voor feitelijke bewoning door appellant.

4.2. Door de onjuiste opgave van zijn feitelijke woon- en verblijfadres aan het College heeft appellant de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand ten tijde in geding niet is vast te stellen. Het College was derhalve bevoegd de bijstand van appellant in trekken en te beëindigen. De wijze van uitoefening

van die bevoegdheden is door appellant niet bestreden. Omtrent de terugvordering zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd zodat dit aspect geen verdere bespreking behoeft.

4.3. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak

moet daarom worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) R. Scheffer.

IJ