Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0142

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
09-566 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep. Appellant heeft geen procesbelang meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/566 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2008, 07/151, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: minister)

Datum uitspraak: 30 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2011. Appellant was daarbij vertegenwoordigd door mr. R.C. Luttikhuizen, advocaat te ’s-Gravenhage. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Hendriks, werkzaam bij KPMG Management Services. Na de zitting is het onderzoek heropend. Partijen hebben nadere stukken ingezonden, waarop over en weer is gereageerd. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven verder onderzoek ter zitting achterwege te laten. De Raad heeft daarna het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

1.1. Aan appellant was met ingang van 26 oktober 2004 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. In verband daarmee was hem voorts een bovenwettelijke uitkering toegekend door de minister. Deze uitkeringen zijn nadien ingetrokken, omdat werd geoordeeld dat appellant op deze datum geen nieuw recht had opgebouwd en dat eerder toegekende uitkeringen, die per 18 augustus 2003 waren geëindigd, zijn herleefd. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, welk bezwaar de minister, voor zover dat zag op de bovenwettelijke uitkering, bij besluit van 14 december 2006 (bestreden besluit) ongegrond heeft verklaard. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) heeft het bezwaar voor zover gericht tegen de WW-uitkering ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat appellant geen beroep heeft ingesteld tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaren door het UWV en dat de minister, gelet op de toepasselijke regelgeving, terecht en op goede gronden tot zijn besluitvorming is gekomen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen beroep had ingesteld tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaren door het UWV. Appellant heeft dat beroepschrift alsnog ingezonden. Appellant heeft verder aangevoerd dat hij ten tijde van belang wel degelijk een nieuw recht had opgebouwd.

4. Ter zitting is van de zijde van de minister naar voren gebracht dat door het UWV inmiddels aan appellant met terugwerkende kracht tot 30 maart 2004 een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, als gevolg waarvan geen recht meer bestaat op een WW-uitkering en evenmin op een bovenwettelijke uitkering. Van de zijde van appellant kon dit niet worden bevestigd. De minister heeft na de heropening een aantal hierop betrekking hebbende besluiten overgelegd. In verband hiermee is namens de minister gesteld dat appellant geen belang meer heeft bij een oordeel over de vraag of per 26 oktober 2004 een nieuw recht op bovenwettelijke werkloosheidsuitkering was ontstaan of dat zijn oude rechten waren herleefd. Daar is namens appellant tegen ingebracht dat het als gevolg van de rommelige besluitvorming voor hem nog steeds niet duidelijk is waar hij recht op heeft, zodat wel degelijk belang bestaat bij een oordeel van de Raad over zijn hoger beroep.

5. De Raad onderschrijft de zienswijze dat appellant geen procesbelang meer heeft. Nu op grond van de nader ingezonden gegevens moet worden vastgesteld dat appellant op de in geding zijnde datum in het geheel geen recht meer heeft op een bovenwettelijke uitkering, is een oordeel over de overwegingen van de rechtbank zoals weergegeven onder 2 niet meer van belang. De enkele stelling dat de besluitvorming rommelig is geweest, welke stelling overigens kan worden onderschreven, is onvoldoende om zo’n belang toch aanwezig te achten. Dit betekent dat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk wordt verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

JJ