Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0139

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
10-2061 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2061 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om herziening van:

[Verzoekstrer], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoekster),

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 april 2005, 03/3370 AW,

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg, thans de Stichting Panta Rhei (hierna: stichting)

Datum uitspraak: 30 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft op 6 april 2010 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 7 april 2005, LJN AT4010 en TAR 2005, 106.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2011. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door drs. J.C.M. van de Geijn-Oliehoek, behandelend psychiater van verzoekster en [naam dochter], dochter van verzoekster. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. Bos, werkzaam bij de gemeente Leidschendam-Voorburg.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de stichting. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van stichting, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leidschendam-Voorburg.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de onder I. genoemde uitspraak van de Raad. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Aan verzoekster is wegens opheffing van haar functie als onderwijzeres aan een openbare school voor lager onderwijs met ingang van 1 augustus 1981 eervol ontslag verleend.

3. Op 26 februari 2001 heeft verzoekster verzocht om schadevergoeding. Dit verzoek is afgewezen. Het bezwaar van verzoekster tegen deze afwijzing is bij besluit van 22 mei 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 mei 2003 het beroep van verzoekster tegen dit besluit ongegrond verklaard. De Raad heeft bij de onder I. genoemde uitspraak de uitspraak van de rechtbank van 26 mei 2003 bevestigd. Hiertoe is geoordeeld dat alle feiten en omstandigheden waarop verzoekster zich ter ondersteuning van haar verzoek om schadevergoeding beroept, dateren van (veel) meer dan vijf jaren vóór de indiening van haar verzoek op 26 februari 2001. Ook de vraag of verzoekster meer dan vijf jaren vóór het verzoek in actie had kunnen komen, is bevestigend beantwoord.

4. Verzoekster heeft bij de Raad een verzoek ingediend tot herziening van de onder I. genoemde uitspraak. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat zij gelet op haar psychische situatie, welke situatie ter zitting en bij een op schrift gestelde verklaring is bevestigd en nader uiteengezet door haar behandelend psychiater Van de Geijn-Oliehoek, niet eerder dan vijf jaren voor haar verzoek op 26 februari 2001 in actie had kunnen komen. Verzoekster ziet dit als een nieuw feit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat op basis van nieuwe feiten aan het licht is gekomen dat het ontslagbesluit van 1 augustus 1981 dermate onjuist en onvolledig is, dat de gegeven motivering niet meer als grondslag voor dat besluit kan dienen.

5. De Raad ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of sprake is van door verzoekster aangevoerde nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

5.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen.

5.3. Van de psychische situatie van verzoekster kan zonder meer worden vastgesteld dat deze (bij verzoekster) bekend was ten tijde van de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd. Dat geldt ook voor de op schrift gestelde verklaring en de mondelinge uiteenzetting van Van de Geijn-Oliehoek met betrekking tot de psychische toestand van verzoekster. Hoe betreurenswaardig de Raad de situatie waarin verzoekster verkeert ook acht, vorenstaande betekent dat het door verzoekster benoemde novum niet voldoet aan het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb en om die reden niet in de beoordeling van het verzoek wordt betrokken.

5.4. Aan een beoordeling van het ontslagbesluit van 1 augustus 1981 kan de Raad derhalve niet toekomen.

6. Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat niet is voldaan aan de in artikel 8:88 van de Awb gegeven maatstaven voor herziening van een onherroepelijke uitspraak. Het verzoek om herziening wordt dan ook afgewezen.

7. Onder deze omstandigheden is voor een proceskostenveroordeling geen plaats.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

HD