Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0138

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
10-1414 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2010:BM9313, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om met terugwerkende kracht in aanmerking te komen voor de plaatsmakersregeling, hetgeen recht geeft op een hogere FPU-uitkering. Appellant behoefde niet op grond van de verruimde plaatsmakersregeling te worden aangemerkt als plaatsmaker. Op grond van die verruimde regeling kwam alleen de oudste aangemelde medewerker uit de functiegroep C/D voor uitstroom in aanmerking. Appellant had als tweede op de lijst geen recht. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel. Geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1414 AW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Duitsland), (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 januari 2010, 09/1218 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 30 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.R. Hoendermis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente Rotterdam en J.E.J. Kleintunte, werkzaam bij de RET.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam bij de RET, laatstelijk als [naam functie] bij de Centrale Verkeersleiding. Voorafgaand aan de verzelfstandiging van de RET per

1 januari 2007 heeft een herschikking van taken plaatsgevonden, waarbij de mogelijkheid bestond gebruik te maken van de zogenoemde plaatsmakersregeling. Op grond van die regeling kon een medewerker plaatsmaker worden op eigen initiatief, indien hij door zijn vertrek een functie vrijmaakte voor een medewerker die als gevolg van overtolligheid als herplaatsingskandidaat was aangewezen. Op de plaatsmaker waren vervolgens bepaalde artikelen uit het supplement Sociaal Plan RET 2002-2006 van toepassing. Appellant heeft in 2005 verzocht om aangemerkt te worden als plaatsmaker. Bij brief van 10 januari 2006 heeft appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 juli 2006 gebruik wil maken van de FPU-regeling, in verband met zijn slechte gezondheidstoestand. Appellant heeft in die brief aangegeven dat hij hoopt op een positieve beslissing op zijn verzoek om te worden aangemerkt als plaatsmaker.

1.2. Op 27 januari 2006 is appellant meegedeeld dat zijn verzoek om met FPU-ontslag te gaan wordt gehonoreerd en dat hij op dat moment niet in aanmerking komt voor de plaatsmakersregeling. Bij besluit van 29 mei 2006 is appellant andermaal meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor de plaatsmakersregeling, omdat er geen herplaatsingskandidaten beschikbaar zijn die voldoen aan de voorwaarden om zijn functie over te nemen. Appellant is per 1 juli 2006 met FPU-ontslag gegaan.

1.3. Op 22 september 2006 heeft appellant verzocht alsnog met terugwerkende kracht in aanmerking te komen voor de plaatsmakersregeling, hetgeen recht geeft op een hogere FPU-uitkering. Appellant heeft in die brief vermeld dat hij inmiddels heeft vernomen dat hij als tweede op de lijst stond, terwijl er uiteindelijk drie collega-dienstleiders via deze regeling zijn afgevloeid. Had appellant geweten van zijn plaats dan had hij geen FPU-ontslag gevraagd, maar was hij - als tweede - afgevloeid via de plaatsmakersregeling. Op dit verzoek is bij besluit van 18 augustus 2008 afwijzend beslist. Daarbij is aangegeven dat slechts de eerste op de lijst overeenkomstig het ter zake gevoerde beleid is afgevloeid als plaatsmaker. Dit besluit is gehandhaafd bij besluit van

6 maart 2009 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het verzoek van appellant in redelijkheid kon worden afgewezen, omdat appellant ook niet op grond van de verruimde plaatsmakersregeling behoefde te worden aangemerkt als plaatsmaker. Op grond van die verruimde regeling kwam alleen de oudste aangemelde medewerker uit de functiegroep C/D voor uitstroom in aanmerking en de rechtbank achtte dat een redelijke beleidskeuze. Appellant had als tweede op de lijst geen recht. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet. Niet aannemelijk is geworden dat de andere twee collega’s op grond van de plaatsmakersregeling zijn uitgestroomd.

3. De Raad overweegt naar aanleidng van hetgeen door partijen in hoger beroep naar voren is gebracht als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 3.25 van het supplement Sociaal Plan RET 2002-2006 is de plaatsmaker een medewerker aan wie schriftelijk op zijn verzoek is meegedeeld dat hij plaatsmaker is geworden. Dit gebeurt slechts indien er een herplaatsingskandidaat geschikt is om de functie alsdan te vervullen. Appellant was werkzaam als senior vervoersleider in functiegroep C/D, in welke functiegroep men slechts kon worden aangesteld nadat functiegroep B is doorlopen. In totaal waren - zo is onweersproken gesteld - voor de functie van vervoersleider twee herplaatsingskandidaten beschikbaar, die normaal gesproken zouden instromen in functiegroep B. Omdat het college dit onbillijk achtte jegens de mewerkers uit functiegroep C/D is besloten om in plaats van twee uit functiegroep B, uit beide functiegroepen één plaatsmaker aan te wijzen en wel op volgorde van leeftijd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat appellant tweede oudste in leeftijd in functiegroep C/D was. De eerstgeplaatste (Ellerkamp) is vervolgens als plaatsmaker aangewezen. Ook is de oudste collega uit functiegroep B (Olivieira) aangewezen. De Raad ziet in het licht van deze gegevens niet in op grond waarvan appellant aanspraak meent te kunnen maken op het predikaat plaatsmaker. Noch het supplement, noch het aanvullende beleid voor functiegroep C/D voorziet in mogelijkheden voor appellant. Bijzondere omstandigheden heeft hij niet aangevoerd. De ter zitting betrokken stelling dat Olivieira, die formeel was aangesteld in functiegroep B, feitelijk werkzaam was in functiegroep C/D kan appellant niet baten. Wat er ook van zij, het college kan niet de vrijheid worden ontzegd bij de selectie uit te gaan van de formele aanstelling.

3.2. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan ook naar het oordeel van de Raad niet slagen. Appellant heeft niet weerlegd dat de twee door hem bedoelde collega’s niet op grond van de plaatsmakersregeling zijn uitgestroomd. Op grond daarvan kan dus niet worden gezegd dat appellant ongelijk is behandeld. Appellant heeft er nog op gewezen dat met één van de genoemde collega’s klaarblijkelijk een bijzondere ontslagregeling is getroffen vanwege diens gezondheidstoestand en dat ook hij ten tijde van belang serieuze gezondheidsklachten had. Appellant voelt zich nu op grond daarvan ongelijk behandeld. Met die stelling ziet appellant eraan voorbij dat onderwerp van dit geding is de vraag of hij als plaatsmaker had moeten worden aangemerkt. Die vraag is hiervoor negatief beantwoord. Dat appellant mogelijk om andere redenen een andere ontslagregeling had moeten krijgen gaat de omvang van dit geding te buiten.

3.3. Ter zitting is namens appellant een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Daartoe heeft appellant gesteld dat de procedure gerekend vanaf zijn bezwaarschrift van 22 september 2006 langer dan vier jaar heeft geduurd, hetgeen te wijten is aan het college. Appellant ziet er daarbij aan voorbij dat zijn brief van 22 september 2006 in overleg met hem uiteindelijk niet als bezwaarschrift tegen het besluit van 29 mei 2006 is aangemerkt, maar als een verzoek om terug te komen van genoemd besluit. Het college heeft de aanvankelijke niet-ontvankelijkverklaring (wegens termijnoverschrijding) ingetrokken en appellant zijn beroep bij de rechtbank daartegen. Tegen de afwijzing van het verzoek heeft appellant op 18 september 2008 bezwaar gemaakt. Sedertdien is nog geen vier jaar verstreken, zodat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

4. Het hoger beroep kan dus niet slagen. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

JJ