Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
09-3893 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om uitbetaling van niet genoten ADV-uren. Met de minister is de Raad van oordeel dat het alsnog uitbetalen van niet genoten ADV-uren, na ommekomst van het kalenderjaar waarin de aansprakelijkheid op deze uren bestond, niet wenselijk is. Daargelaten het feit dat de toepasselijke wet- en regelgeving hier niet in voorziet, zou er van een dergelijke uitbetaling ongewenste precedentwerking uit kunnen gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3893 MAW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [Woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juni 2009, 08/6446 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 30 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2011. Appellant is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van der Jagt, werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant is LTZA 1 bij de Koninklijke marine. In het kalenderjaar 2006 is zijn werkrooster gebaseerd op een arbeidsduur van gemiddeld 40 uur per week, waardoor hij aanspraak heeft op 96 ADV-uren. In september 2007 ontdekt appellant in het personeelsadministratiesysteem Peoplesoft dat - voor zover hier van belang - in het jaar 2006 geen ADV-uren voor hem zijn geregistreerd. Op 14 december 2007 heeft appellant verzocht om uitbetaling van deze niet genoten ADV-uren.

2.2. Dit verzoek is bij besluit van 26 maart 2008 afgewezen.

2.3. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 14 augustus 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad onderschrijft de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop die uitspraak berust. Met betrekking tot de nadere grief die appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, overweegt de Raad als volgt.

4.2. Appellants stelling dat er met de afwijzing van zijn verzoek te weinig is geredeneerd vanuit redelijkheid en goede personeelszorg kan er niet toe leiden dat het hoger beroep slaagt. Met de minister is de Raad van oordeel dat het alsnog uitbetalen van niet genoten ADV-uren, na ommekomst van het kalenderjaar waarin de aansprakelijkheid op deze uren bestond, niet wenselijk is. Daargelaten het feit dat de toepasselijke wet- en regelgeving hier niet in voorziet, zou er van een dergelijke uitbetaling ongewenste precedentwerking uit kunnen gaan.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

HD