Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0131

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
09-2959 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en verlaging bijstand. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2959 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 mei 2009, 08/359 WWB (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.Y. Baptiste, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant is van 24 maart 2004 tot 7 september 2006 en vanaf 12 oktober 2006 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij een vergelijking van het bestand van de Belastingdienst Randmeren te Apeldoorn en het bestand van de Dienst Samenleving van de gemeente Apeldoorn (hierna: Dienst) is het vermoeden gerezen dat appellant naast zijn bij de Dienst bekende rekeningnummers de beschikking heeft over een onbekend rekeningnummer en op dit nummer rente heeft ontvangen. Naar aanleiding daarvan heeft het Team Sociale Recherche van de Dienst een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 juni 2007. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 20 juli 2007 de bijstand van appellant te herzien (lees: in te trekken) over de periode van 28 juli 2004 tot en met 7 juli 2005 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.617,60 bruto van appellant terug te vorderen. Aan de intrekking heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het College te melden dat hij beschikt over een vermogen boven de voor hem toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen en dat als gevolg daarvan ten onrechte bijstand is verleend. Bij besluit van eveneens 20 juli 2007 heeft het College op grond van de schending van de inlichtingenverplichting de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2007 verlaagd met 20% gedurende een maand.

1.3. Bij besluit van 13 februari 2008 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten van 20 juli 2007 ongegrond verklaard met dien verstande dat het College de bijstand van appellant van 11 juni 2004 tot en met 31 maart 2005 heeft ingetrokken en aan de intrekking ten grondslag heeft gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het College te melden dat hij beschikt over inkomen boven de voor hem geldende bijstandsnorm en dat als gevolg daarvan ten onrechte bijstand is verleend. Het College heeft onder verwijzing naar het verbod van reformatio in peius het bedrag van de terugvordering en de verlaging van de bijstand ongewijzigd gelaten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 13 februari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft in de eerste plaats aangevoerd dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Daartoe heeft appellant gesteld dat hij in 2005 tweemaal contact heeft gehad met een medewerker van de Dienst en heeft gemeld dat hij van de gemeente Apeldoorn een bovenwettelijke uitkering ontving en dat hij deze inkomsten stortte op een aparte bankrekening. Hij heeft daaraan toegevoegd dat deze bovenwettelijke uitkering mogelijk ten onrechte werd verstrekt en dat hij in afwachting was van het verzoek van de gemeente Apeldoorn om deze inkomsten terug te betalen. Appellant heeft verder aangevoerd dat hem niet ten onrechte bijstand is verleend. Daartoe heeft hij gesteld dat hij de betreffende bovenwettelijke uitkering op verzoek van de gemeente Apeldoorn inmiddels geheel heeft terugbetaald, zodat hij achteraf bezien alleen bijstand heeft ontvangen. Ten slotte heeft appellant aangevoerd, zo begrijpt de Raad, dat het College wegens dringende redenen met toepassing van artikel 6 van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2004 (hierna: Maatregelenverordening) van het opleggen van een maatregel had moeten afzien.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat aan appellant hangende het bezwaar tegen een hem gegeven ontslag uit zijn dienstbetrekking bij de gemeente Apeldoorn over de periode van 11 juni 2004 tot en met 31 maart 2005 voorschotten op zijn bezoldiging zijn betaald tot een bedrag dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Appellant beschikte derhalve over voldoende middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan en had derhalve geen recht op bijstand. Anders dan appellant aanvoert staat daaraan niet in de weg dat achteraf is gebleken dat appellant deze voorschotten ten onrechte heeft gekregen en heeft terugbetaald.

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet op de daarvoor bestemde formulieren schriftelijk bij het College heeft gemeld dat hij de betreffende voorschotten ontving. Appellant heeft zijn stelling dat hij in 2005 tweemaal contact heeft gehad met een medewerker van de Dienst en de ontvangst van de voorschotten heeft gemeld niet aannemelijk gemaakt. Uit het dossier blijkt niet dat de betreffende medewerkers van een melding door appellant van voorschotten aantekening hebben gemaakt, hetgeen voor de hand had gelegen. De Raad laat dan nog daar dat een melding in 2005 van voorschotten vanaf juni 2004 niet als tijdig kan worden aangemerkt. Nu het hier gaat om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, betekent het voorgaande dat appellant de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De beroepsgrond dat van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is, treft dan ook geen doel.

4.3. De Raad is voorts van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Maatregelenverordening. Van onaanvaardbare gevolgen van de maatregel voor appellant is de Raad niet geleken.

4.4. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.J.A. Kooijman en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. de Jong.

HD