Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0128

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
10-1053 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging disciplinaire straf van ongevraagd ontslag. Besluit 2: Ernstig plichtsverzuim. Besluit 3: Op het moment waarop besluit 3 werd genomen, was het ambtelijke dienstverband reeds door het ontslag geëindigd. Oplegging schorsing over een reeds verstreken tijdvak. Het college heeft niet kunnen aangeven welk ander concreet belang nog met de schorsing was gemoeid. Vernietiging uitspraak wat betreft de schorsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/7
Module Ambtenarenrecht 2013/1362
ABkort 2011/323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1053 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 6 januari 2010, 08/9300 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijswijk (hierna: college)

Datum uitspraak: 23 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2011. Appellante is verschenen met bijstand van mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Blanken, eveneens advocaat te ’s-Gravenhage, alsmede door F.W.M. Nijp en J.C. Wagner, beiden werkzaam bij de gemeente Rijswijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam als [naam functie] bij de gemeente Rijswijk. Als zodanig was zij belast met het geven van voorlichting aan burgers over gemeentelijke regelingen. Daartoe behoorde ook de regeling inzake de zogenoemde "ooievaarspas". Dit is een door gemeenten in de Haagse regio uitgegeven kortingspas voor mensen met een laag inkomen.

1.2. Op 19 december 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellante en twee leidinggevenden. Hierin is appellante geconfronteerd met het vermoeden dat zij een aantal jaren ten onrechte een ooievaarspas heeft gehad. Na dit gesprek is appellante, in afwachting van nader onderzoek, met buitengewoon verlof naar huis gestuurd.

1.3. Bij besluit van 21 december 2007 heeft het college bevestigd dat aan appellante met ingang van 19 december 2007 buitengewoon verlof is verleend (besluit 1).

1.4. Na eerder het voornemen daartoe bekend te hebben gemaakt, heeft het college bij besluit van 29 mei 2008 aan appellante de disciplinaire straf opgelegd van ongevraagd ontslag met ingang van 1 juni 2008 (besluit 2).

1.5. Bij besluit van 25 september 2008 heeft het college besluit 1 wat betreft het buitengewoon verlof ingetrokken en, in plaats daarvan, appellante met terugwerkende kracht tot 19 december 2007 geschorst tot 1 juni 2008 in het belang van de dienst (besluit 3).

1.6. Bij besluit van 12 november 2008 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. De bezwaren tegen de besluiten 2 en 3 zijn ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep bestrijdt appellante de uitspraak van de rechtbank alleen wat betreft de schorsing en het ontslag (besluiten 2 en 3). Naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4. Het strafontslag (besluit 2)

4.1. Niet in geschil is, dat appellante over de jaren 2007 en 2008 ten onrechte een ooievaarspas heeft aangevraagd en verkregen. Zij had daarop geen recht, omdat haar inkomen samen met het inkomen van haar echtgenoot de daarvoor geldende grens ruimschoots te boven ging. Ter zitting is komen vast te staan dat appellante - die zelf voorlichting moest geven over de normen voor de ooievaarspas - zich hiervan bewust is geweest.

4.2. De Raad acht aannemelijk dat het vorenstaande ook geldt voor het jaar 2006. In een bijlage van een brief van haar toenmalige gemachtigde van 26 februari 2008 is expliciet aangegeven dat appellante de ooievaarspas 2006 voor drie personen heeft aangevraagd. Bij de stukken bevindt zich een hiermee overeenkomend, door appellante op 7 april 2006 ondertekend aanvraagformulier 2006. Uit de gegevens van de gemeente komt naar voren dat inderdaad drie passen voor 2006 zijn afgegeven. Gelet hierop is niet geloofwaardig dat appellante, naar zij stelt, het aanvraagformulier over 2006 niet daadwerkelijk heeft ingediend maar in haar locker-kastje heeft opgeborgen.

4.3. Appellante heeft aangevoerd dat in het verslag van het gesprek op 19 december 2007 haar woorden verkeerd zijn weergegeven. Ook is zij er niet vooraf op gewezen dat zij niet verplicht was om vragen te beantwoorden en dat zij het recht had zich door een raadsman of raadsvrouw te laten bijstaan. Naar het oordeel van de Raad kan deze beroepsgrond niet slagen. Hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen vindt weliswaar bevestiging in het gespreksverslag, maar wordt niet anders indien dit verslag geheel buiten beschouwing wordt gelaten. Bovendien gaat het hier om tuchtrecht in de ambtelijke rechtsverhouding, waar de door appellante bedoelde vormvoorschriften niet gelden.

4.4. Niet alleen wist appellante dat zij geen recht had op een ooievaarspas, maar zij heeft ook getracht dit feit te verdoezelen door geen gegevens te verstrekken met betrekking tot het inkomen van haar echtgenoot. Uit de verklaringen van haar toenmalige collega Wagner komt overtuigend naar voren dat bij herhaling om deze gegevens is gevraagd en dat appellante heeft toegezegd deze alsnog in te leveren, maar dit niet heeft gedaan. In collegiaal vertrouwen zijn de passen toch afgegeven. Ook nadien heeft appellante de inkomensgegevens niet meer ingezonden. Zij mocht er dus niet op vertrouwen dat haar aanvragen terecht waren ingewilligd. Voor zover de gemeente de aanvragen onvoldoende zorgvuldig heeft gecontroleerd, doet dit niet af aan appellantes eigen verantwoordelijkheid op dit punt. Het past een ambtenaar niet een zwakke plek in de organisatie te misbruiken om zichzelf bewust ongerechtvaardigde voordelen te verschaffen. Dat de behandelende afdeling haar aanmoedigde om twijfelachtige aanvragen van burgers toch naar boven door te sturen - onder het motto “niet geschoten altijd mis” - wilde niets anders zeggen dan dat deze aanvragers niet reeds bij de balie hoefden te worden weggestuurd. Appellante mocht er niet uit afleiden dat het met de inkomensgrenzen niet zo nauw werd genomen. Van een cultuur om ooievaarspassen te verstrekken aan mensen die daar gezien hun (gezins)inkomen geen recht op hadden, is de Raad ook overigens niets gebleken.

4.5. De stelling van appellante dat zij de aanvragen slechts indiende als burger van de gemeente Rijswijk kan evenmin slagen. Appellante was uit hoofde van haar functie betrokken bij de uitvoering van de regeling inzake ooievaarspassen. Al had zij geen beslissingsbevoegdheid, zij kende de regeling en moest daarover voorlichting geven aan burgers. Zij heeft ook gebruik gemaakt van kennis en relaties waarover zij als ambtenaar beschikte. De handelwijze van appellante raakt dus wel degelijk aan haar ambtelijke positie en betekent een ernstige inbreuk op haar ambtelijke integriteit.

4.6. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat sprake is van ernstig plichtsverzuim waarvoor, alle omstandigheden in aanmerking genomen, de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag niet onevenredig is. Dat sprake was van een langdurig dienstverband waarin appellante goed heeft gefunctioneerd, maakt dit niet anders. Gelet op de aard en de zwaarte van het plichtsverzuim was het college niet gehouden om appellante nog een verbeterkans te bieden.

4.7. Het hoger beroep inzake het strafontslag treft dus geen doel. In zoverre komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De schorsing (besluit 3)

5.1. Het is vaste rechtspraak dat het bij schorsing van een ambtenaar gaat om een ordemaatregel. Daarvoor is in het algemeen plaats bij een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim, waardoor aan de integriteit van de ambtenaar moet worden getwijfeld en het noodzakelijk in hem te stellen vertrouwen dermate is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten (CRvB 19 oktober 2000, LJN AA8869, TAR 2000, 158).

5.2. De Raad is op zichzelf van oordeel dat er op 19 december 2007 een concrete verdenking van een ernstige schending van de integriteit bestond, op grond waarvan het treffen van de maatregel van schorsing in het belang van de dienst gerechtvaardigd was. Met het oog op het nader in te stellen onderzoek en gezien de taak van appellante bij de publieke voorlichting over de ooievaarspas, mocht het college zich op het standpunt stellen dat het niet aanvaardbaar was dat appellante haar werkzaamheden zou voortzetten.

5.3. Aanvankelijk heeft het college echter geen schorsing opgelegd, maar gekozen voor verlening van buitengewoon verlof. Geruime tijd later is het college tot de conclusie gekomen dat - bij nader inzien - de daarvoor vereiste instemming van appellante ontbrak. Bij besluit 3 is toen het buitengewoon verlof ingetrokken en is appellante in plaats daarvan geschorst. Aan besluit 3 is terugwerkende kracht verleend tot 19 december 2007.

5.4. Met appellante acht de Raad deze handelwijze van het college onjuist. Op het moment waarop besluit 3 werd genomen, was het ambtelijke dienstverband reeds door het ontslag geëindigd. In zoverre was het college dus niet meer tot schorsing bevoegd (CRvB 19 februari 2004, LJN AO4199). Wat betreft de periode tussen 19 december 2007 en het ingaan van het ontslag op 1 juni 2008, gaat het om het alsnog opleggen van een schorsing over een reeds verstreken tijdvak. Dit verdraagt zich in het algemeen niet met het karakter van een ordemaatregel. De wens van het college om, na het wegvallen van het buitengewoon verlof, alsnog te voorzien in een juridische grondslag voor de feitelijke afwezigheid van appellante in deze periode, is op zichzelf niet voldoende om tot een ander oordeel te komen. Aan het recht van appellante op doorbetaling van de bezoldiging doet de schorsing in het belang van de dienst niet af. Het college heeft desgevraagd niet kunnen aangeven welk ander concreet belang nog met de schorsing was gemoeid. In zoverre heeft het college dus bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen.

5.5. Dit betekent dat, wat betreft de schorsing, de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad zal in de zaak voorzien door besluit 3 in zoverre te herroepen.

6. De Raad acht termen aanwezig om het college met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.518,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, alsmede tot een bedrag groot € 20,90 wegens reiskosten, in totaal derhalve € 1.538,90.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak wat betreft de schorsing;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wat betreft de schorsing;

Herroept besluit 3 wat betreft de schorsing;

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

Veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 1.538,90;

Bepaalt dat het college aan appellante het door haar in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 368,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

HD