Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
09-3515 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, WUBO-uitkering, toeslag en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer. Bersiap-periode. Geen directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld. Geen verplichte tewerkstelling. Geen permanente bewaking door de bezetter. Niet gebleken dat de vlucht naar het 10e Bataljon vanuit een levensbedreigende situatie of onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Geen sprake van in de WUBO specifiek beschreven oorlogservaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3515 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Australië, (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en

Uitkeringsraad (hierna: verweerder),

Datum uitspraak: 23 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 19 maart 2009, kenmerk BZ 8811, JZ/P60/2009 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn dochter [naam dochter]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, destijds werkzaam bij de PUR. Na de behandeling ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend, om verweerder in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen naar twee door appellant gestelde oorlogsgebeurtenissen. Er heeft een zogenoemde informatiezitting bij verweerder plaatsgevonden. Bij brief van 22 december 2010 heeft verweerder hierna zijn conclusies te kennen gegeven. Vervolgens heeft een tweede onderzoek ter zitting plaatsgevonden op 12 mei 2011. Appellant is daar vertegenwoordigd door [naam dochter]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1929 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in januari 2008 bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en daarbij verder gevraagd om toekenning van een periodieke uitkering, een toeslag en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer.

1.2. Verweerder heeft de aanvraag van appellant afgewezen bij besluit van 22 oktober 2008, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Ook na het nadere onderzoek is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Daartoe heeft verweerder overwogen dat in onvoldoende mate is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo. Verweerder heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat appellant verplicht is tewerkgesteld door de Japanse bezetter, dat niet is gebleken dat appellant direct betrokken was bij een bomaanval op de Buitenzorgseweg in Tjawang, dat niet is komen vast te staan dat de vlucht naar de kampong bij Tjawang en vervolgens naar het opvangkamp het 10e Bataljon in Batavia vanuit een levensbedreigende situatie, dan wel onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden, dat onvoldoende bevestiging is gekregen van het getuige zijn van de marteling van een man door Indonesiërs en dat niet is komen vast te staan dat appellant direct betrokken was bij beschietingen op vliegveld Tjililitan. Verder heeft verweerder met betrekking tot het moeten aanschouwen van excessen overwogen dat dit niet onder de werking van de Wubo kan worden gebracht, omdat deze excessen werden gepleegd door Nederlandse militairen.

2. De Raad overweegt het volgende naar aanleiding van wat partijen naar voren hebben gebracht.

2.1. Op grond van artikel 2, eerste lid, onder a, b, d en f, van de Wubo wordt - voor zover hier van belang - onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan:

degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 of tijdens de zogenoemde Bersiap-periode

lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van

- met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of

omstandigheden;

- direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen door de Japanse bezetter of

daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode;

- confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee

vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode.

2.2. Uit het bepaalde in artikel 2 van de Wubo volgt dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer als eerste voorwaarde geldt dat de aanvrager direct betrokken is geweest bij oorlogsgeweld als omschreven in dat artikel. Verweerder heeft dan ook terecht in de eerste plaats beoordeeld of bij appellant sprake is geweest van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld.

Verplichte tewerkstelling

2.3.1. Verweerder stelt dat niet is gebleken dat appellant verplicht tewerkgesteld is geweest in Tjawang/Rustenburg zoals is bedoeld in de Wubo. De tewerkstelling berustte niet op een handeling of maatregel van de Japanse bezetter. Appellant werkte in de wijk waar hij ook woonde met zijn familie. Hij kreeg als beloning rijst. Hij heeft in de tuinen moeten patrouilleren om diefstal te voorkomen. Hieruit kan worden afgeleid dat er geen permanente bewaking was door de bezetter.

2.3.2. Appellant beaamt dat er geen permanente bewaking was. Hij moest echter in opdracht van de Japanners onder toezicht van de Indonesiërs werkzaamheden verrichten, zoals djarak planten en andere groenten verbouwen. Verder werkte hij op de rijstvelden en sjouwde hij grote manden. Dat was geen verplicht werk, maar hij deed dat om zijn familie van voedsel (rijst) te voorzien. Hij heeft samen met zijn broer gepatrouilleerd om diefstal van producten in de tuinen te voorkomen. Ook de werkzaamheden op de rijstpellerij waren niet verplicht, maar appellant heeft dat werk gedaan voor extra rijst voor zijn familie.

2.3.3. De Raad overweegt hierover het volgende. Het criterium in de Wubo is dat de betrokkene als burger invaliderend letsel heeft opgelopen door of in verband met handelingen of maatregelen welke door de Japanse bezetter tegen hem werden gericht. Daarbij worden onder maatregelen verstaan: (ver)ordeningen door de bezetter, individueel gericht of ten uitvoer gelegd, met dwang en sancties omgeven en met het doel de betrokken personen vanuit bezettingsoogmerk te treffen of te misbruiken. Met verweerder is de Raad van oordeel dat gelet op de omstandigheden waaronder appellant de werkzaamheden heeft uitgevoerd, geen sprake is van een situatie als onder de Wubo bedoeld. Niet is gebleken dat appellant te werk werd gesteld om hem vanuit bezettingsoogmerk te treffen of te misbruiken. Appellant mocht na het werk naar huis gaan. Hij werd met rijst voor zijn werk betaald. Bovendien was er geen permanente bewaking door de Japanners.

De vlucht naar de kampong en vervolgens naar het 10e Bataljon

2.4.1. Verweerder stelt dat niet is gebleken dat deze twee vluchten plaatsvonden vanuit levensbedreigende omstandigheden. Het is zeker aannemelijk dat het in de buurt waar het gezin woonde gevaarlijk is geweest en dat het gezin onder druk van de dreigende omstandigheden is vertrokken. Dat is echter op zichzelf niet voldoende. Later is het gezin gevlucht naar het 10e Bataljon. Ook ten aanzien van die vlucht, die kennelijk onder militaire begeleiding stond, is niet gebleken dat deze plaatsvond onder bedreigende omstandigheden.

2.4.2. Appellant wijst er op dat na een waarschuwing van een familielid, het gezin is gevlucht naar de kampong. Diezelfde nacht zijn de ouders van de buren vermoord en hun kleinkinderen levend in een put gegooid. Na terugkomst uit de kampong bleek het ouderlijk huis te zeer beschadigd. Daarom heeft appellant ervoor gezorgd dat zijn familie onder militaire geleide naar het 10e Bataljon werd gebracht.

2.4.3. De Raad overweegt hierover het volgende. Het gezin is tijdig gewaarschuwd. Vervolgens is het gezin uit voorzorg vertrokken naar de kampong. De opkomende dreiging van de Indonesiërs maakt de vlucht begrijpelijk, maar van een direct levensbedreigende situatie ten tijde van het vluchten was (nog) geen sprake. Een zelfverkozen vlucht uit angst voor te verwachten ongeregeldheden kan niet als oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo worden aangemerkt. Dat, zoals door appellant gesteld, naderhand is gebleken dat de achtergebleven bewoners wel zijn vermoord kan aan het voorgaande niet afdoen. De Wubo stelt namelijk directe betrokkenheid bij het oorlogsgeweld als voorwaarde. De Raad onderschrijft verder het oordeel van verweerder dat niet gebleken is dat de vlucht naar het 10e Bataljon vanuit een levensbedreigende situatie of onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden.

De bomaanval op de Buitenzorgseweg in Tjawang

2.5.1. Verweerder stelt dat niet is gebleken dat appellant direct betrokken was bij een bomaanval op de Buitenzorgseweg in Tjawang. Hij bevond zich in een schuilkelder tijdens de bominslagen. Hij meldt geen gewonden of schade aan het ouderlijk huis.

2.5.2. Appellant benadrukt dat de schuilkelder waarin hij zich bevond niet veel voorstelde. Het ging om een gat in de grond waarover matrassen waren gelegd. De bominslag vond plaats binnen 10 meter. Er zou een zeer geringe kans zijn geweest dat hij en de overige familieleden een bominslag zouden hebben overleefd wanneer een van de bommen de ‘schuilkelder’ zou hebben geraakt. Er zijn geen gewonden gevallen, maar er was wel enige, niet noemenswaardige, schade aan het huis. Appellant is echter wel geestelijk verminkt door deze gebeurtenis.

2.5.3. Naar het oordeel van de Raad is met deze bomaanval geen sprake geweest van directe betrokkenheid zoals door de Wubo wordt vereist. Voor het aannemen van directe betrokkenheid bij een bombardement is onder meer van belang de materiële schade in de directe omgeving en de vraag of betrokkene zelf gewond is geraakt of rechtstreeks geconfronteerd is geweest met verwondingen of omkomen van naasten. Zoals appellant heeft aangegeven zijn er geen slachtoffers in de directe omgeving van appellants ouderlijke huis gevallen en is het huis zelf nagenoeg niet beschadigd. Hoewel appellant de bominslagen ongetwijfeld als zeer beangstigend heeft ervaren, mede vanwege de geringe bescherming in de geïmproviseerde schuilkelder, is van directe betrokkenheid als bedoeld in de Wubo toch geen sprake geweest.

Het getuige zijn van de marteling van een man door Indonesiërs

2.6. Voor de mishandeling van een man, waarvan appellant zegt getuige te zijn geweest, is buiten zijn eigen verklaring geen bevestiging te vinden in andere stukken.

De beschietingen op vliegveld Tjililitan

2.7.1. Aanvankelijk was niet duidelijk in welke periode appellant op het vliegveld heeft gewerkt. Tijdens de informatiezitting bij verweerder heeft appellant verklaard dat dit vanaf de Japanse capitulatie was en dat het een jaar heeft geduurd. Hij heeft verder verklaard dat op de bewuste dag de beschietingen in de ochtend om 3.00 uur waren begonnen en duurden tot 6.00 uur. Er werd vanuit de bush terug geschoten. Appellant was buiten tijdens de beschietingen, want hij moest meehelpen totdat het afgelopen was. Hij kan niets vertellen over inslagen die vlak bij hem terechtkwamen. Wel weet hij dat de Timorezen in de richting van de bush schoten omdat ze niet wisten waar precies de Indonesiërs waren. De beschieting was erg angstig voor een jongen van 15 jaar.

2.7.2. Verweerder neemt na deze nadere verklaring het standpunt in dat niet gebleken is van directe betrokkenheid bij deze beschietingen. Er komt in het verhaal van appellant niets naar voren over inslagen, schade of gewonden. Het verhaal is te algemeen om directe betrokkenheid te kunnen aannemen. Er is ook geen bevestiging gekregen door getuigen.

2.7.3. De Raad volgt verweerder in dit standpunt. De verklaring van appellant is onvoldoende concreet om te kunnen spreken van directe betrokkenheid van appellant. Van (confrontatie met) gewonden of beschadiging van gebouwen is uit deze verklaring immers niet gebleken.

Het moeten aanschouwen van excessen

2.8. Met betrekking tot het getuige zijn van appellant van het doodschieten van Indonesiërs oordeelt de Raad als volgt. Het is aannemelijk dat appellant getuige heeft moeten zijn van deze gebeurtenissen. Dit valt echter niet onder de werking van de Wubo, waarin is voorzien in de situatie van confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiap-periode. Deze bepaling ziet niet op een situatie waarin het extreme geweld wordt gepleegd door Nederlandse militairen.

3. Gelet op wat hiervoor is overwogen verklaart de Raad het beroep van appellant ongegrond. De Raad hecht eraan op te merken dat hiermee niet is beoogd te miskennen dat appellant tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode onder moeilijke omstandigheden heeft moeten leven. De Wubo heeft echter een beperkte strekking, in die zin dat sprake moet zijn geweest van in die wet specifiek beschreven oorlogservaringen.

4. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

RB