Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0118

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
10-658 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, WUBO-uitkering en -voorzieningen. Appellante heeft niet de Nederlandse nationaliteit. De WUBO kan ook worden toegepast op de persoon die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, als het niet toepassen van deze wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn. Zeer bijzondere omstandigheden? Verweerder heeft volstaan met de motivering dat er geen bijzondere omstandigheden zijn. Geen sprake van een brede beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van appellante. Geen deugdelijke motivering. Vernietiging besluit.

Zie ook: LJN BR0123, BR0115, BR5320 en BR5333

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/658 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats], Verenigde Staten, (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 23 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 november 2009, kenmerk BZ 9193, JZ/R60/2009 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 maart 2011. Appellante is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, is in 1955 naar Nederland gekomen. Omstreeks 1960 heeft zij zich in de Verenigde Staten gevestigd. In 1970 heeft zij de Amerikaanse nationaliteit aangenomen.

1.2. In 2009 heeft appellante een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer, toekenning van een periodieke uitkering en vergoeding van diverse bijzondere voorzieningen op grond van de Wubo.

1.3. Bij besluit van 18 mei 2009 heeft verweerder de aanvraag van appellante afgewezen. Na bezwaar van appellante heeft verweerder bij het bestreden besluit die afwijzing gehandhaafd. Verweerder heeft erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld vanwege haar internering in Soemobito tijdens de Bersiap-periode. Verweerder heeft echter de gevraagde uitkering en voorzieningen niet toegekend omdat appellante ten tijde van de aanvraag niet de Nederlandse nationaliteit had. Verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden gezien op grond waarvan het een klaarblijkelijke hardheid zou zijn om de Wubo niet toe te passen.

2. Appellante heeft tegen het bestreden besluit het volgende aangevoerd. Zij wilde aanvankelijk, anders dan haar echtgenoot, niet emigreren. Pas toen kwam vast te staan dat hun dochter vanwege haar gezondheidstoestand (astma) gebaat zou zijn bij een warm klimaat, heeft appellante ingestemd met een emigratie naar Californië. De Nederlandse regering moedigde indertijd emigratie aan. Na de emigratie is de gezondheidstoestand van de dochter snel verbeterd. Eenmaal gevestigd in Amerika was het heel normaal om het staatsburgerschap aan te nemen. Dat was ook wel nodig om in aanmerking te komen voor beter betaalde banen. Appellante vindt het niet eerlijk afgewezen te worden op haar nationaliteit, terwijl de mogelijkheid bestaat om uitzonderingen te maken op de nationaliteitseis. Een geneeskundig onderzoek heeft niet plaatsgevonden.

3. Verweerder heeft verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Volgens artikel 3, eerste lid, van de Wubo is deze wet, voor zover in dit geding van belang, van toepassing op degene die in de naoorlogse jaren als burger getroffen is door oorlogsgeweld en op dat moment Nederlander was dan wel Nederlands onderdaan, op voorwaarde dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

4.2. De Raad stelt eerst vast dat appellante niet de Nederlandse nationaliteit heeft. Zij behoort dan ook in beginsel niet tot de kring van rechthebbenden van de Wubo.

4.3. In artikel 3, tweede lid, van de Wubo is echter geregeld dat de wet ook kan worden toegepast op de persoon die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, als het niet toepassen van deze wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.

4.4. Verweerder heeft toegelicht op welke wijze hij met de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, van de Wubo omgaat. Voor zover in dit geval van belang, maakt verweerder gebruik van deze bevoegdheid in zeer bijzondere omstandigheden. Daarbij kijkt verweerder naar de persoonlijke situatie van de betrokkene. Verweerder heeft toegelicht dat bij die weging aandacht wordt besteed aan de aard van de oorlogsgebeurtenis, de huidige sociale omgeving, de huidige financiële situatie, de ernst en aard van de gezondheidsproblemen, de reden van verlies van de Nederlandse nationaliteit en de reden van emigratie. Verweerder heeft benadrukt dat deze opsomming niet als limitatief moet worden gezien. Per geval wordt beoordeeld of er sprake is van een zeer bijzonder geval op grond waarvan het niet toepassen van de Wubo tot een klaarblijkelijke hardheid leidt.

4.5. De Raad stelt vast dat uit de gedingstukken in deze zaak onvoldoende blijkt dat verweerder een weging als onder 4.4 verwoord heeft gemaakt. Het bestreden besluit bevat geen motivering waaruit een dergelijke weging blijkt. Verweerder heeft immers volstaan met de motivering dat er geen bijzondere omstandigheden zijn. Daarmee heeft verweerder geen blijk gegeven van een brede beoordeling van de persoonlijke omstandigheden van appellante. Ook uit de nadere toelichting van verweerder in zijn brief van 16 maart 2010 blijkt niet van een kenbare weging van de persoonlijke omstandigheden van appellante.

4.6. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit kan daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand blijven. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak vóór 1 oktober 2011 een nieuw besluit moeten nemen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerder vóór 1 oktober 2011 een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van

€ 35,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) I. Mos.

RB