Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0114

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
08-750 MPW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2007:BC9093, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning militair invaliditeitspensioen, berekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 30%. De bij het bestreden besluit ingenomen standpunten zijn deugdelijk voorbereid en onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/750 MPW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], zonder vaste woon- of verblijfplaats, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 december 2007, 07/1139 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister),

Datum uitspraak: 23 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn na voorafgaande berichtgeving niet verschenen. De minister is eveneens na voorafgaande berichtgeving niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellant is van 26 april 1999 tot 2 april 2002 als beroepsmilitair in dienst geweest bij de Koninklijke Landmacht in de rang van soldaat eerste klasse. In de periode van medio mei 2001 tot medio november 2001 is appellant uitgezonden naar Bosnië, waar hij werkte als postbode en als chauffeur van de aalmoezenier. Op verzoek van appellant is hem eervol ontslag verleend.

2.2. Appellant heeft in oktober 2004 verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Bij besluit van 23 juni 2005 is aan appellant met ingang van 25 oktober 2003 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit met dienstverband van 30%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 januari 2007 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen -samengevat - dat geen aanleiding bestaat tot twijfel aan de juistheid van de aan de minister uitgebrachte medische adviezen, inhoudende dat sprake is van posttraumatische stressstoornis (PTSS) met verlaat begin en van een al vóór de dienst bestaande persoonlijkheidsstoornis van het cluster B type met drugs- en alcoholmisbruik.

4. Appellant voert - onder verwijzing naar wat hij in bezwaar en bij de rechtbank naar voren heeft aangebracht - aan dat hij lijdt aan een psychische aandoening vanwege de militaire dienst, leidend tot een mate van invaliditeit van minimaal 70%. Hij acht het door de minister in navolging van het door de psychiater-psychoanalyticus M.J. van Weers vastgestelde percentage van 30 onjuist onderbouwd en onderschat. Hij vindt dat ten onrechte de diagnose persoonlijkheidsstoornis van het cluster B type is gesteld. De psychische klachten die hij ondervindt moeten volledig worden toegeschreven aan de gediagnosticeerde PTSS en de paniekstoornis en agorafobie, voor welke stoornissen wel dienstverband is aangenomen. Voor zover wel moet worden uitgegaan van een persoonlijkheidsstoornis, moet hiervoor dienstverband of verergerd dienstverband worden aangenomen. Ook ten aanzien van de middelenafhankelijkheid en het middelengebruik is het aannemelijk dat de uitoefening van de dienst van invloed is geweest op het ontstaan dan wel de verergering daarvan.

5. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd. In het bijzonder wijst de minister er op dat appellant zijn stellingen niet heeft onderbouwd met een medisch rapport.

6. De Raad overweegt als volgt.

6.1. De Raad is op grond van het door de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen van 6 juni 2005 over appellant uitgebrachte rapport, het verslag van de expertise van M.J. van Weers van 24 april 2005 en zijn gemotiveerde reactie naar aanleiding van het bezwaarschrift van appellant, van oordeel dat de bij het bestreden besluit ingenomen standpunten deugdelijk zijn voorbereid en onderbouwd. Van Weers geeft aan dat van echt traumatische ervaringen bij appellant niet is gebleken maar dat, hem het voordeel van de twijfel gunnend, kan worden geconcludeerd dat sprake is van een PTSS met verlaat begin. Een directe causale relatie tussen middelenmisbruik en militaire dienst acht Van Weers niet aannemelijk. Er moet in dat kader eerder een relatie worden gelegd met bepaalde kenmerken van de persoonlijkheid van appellant zoals zijn impulsiviteit, novelty seeking, behoefte aan spanning en zijn gebrekkige frustratietolerantie. Deze persoonlijkheidskenmerken naast een zekere mate van zelfoverschatting, gebrekkige zelfkritiek en antisociaal gedrag vormen sterke aanwijzingen dat er bij appellant sprake is van een persoonlijkheidsstoornis van het cluster B type. Als kind vertoonde hij een gedragsstoornis N.A.O. Het sociaal functioneren op mesoniveau van appellant kent ernstige beperkingen, maar dat is voornamelijk het gevolg van zijn polydrugsgebruik en antisociaal gedrag en maar voor een deel het gevolg van PTSS. De ernstige beperkingen op macroniveau zijn vrijwel volledig aan het polydrugsmisbruik en antisociaal gedrag toe te schrijven. Voor deze bevindingen van Van Weers vindt de Raad steun in vooral het intakeformulier van het Boumanhuis, waarin de weergave van de verslavingsgeschiedenis van appellant laat zien dat hij al op jeugdige leeftijd is begonnen met het gebruik van cannabis (met 15 jaar) en cocaïne (met 21 jaar). Daarnaast vindt de Raad steun hiervoor in het feit dat appellant al op jeugdige leeftijd uit huis is geplaatst in een internaat voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen en in het verslag van psycholoog F. Vergeer, waaruit blijkt dat appellant destructief gedrag naar anderen heeft vertoond.

6.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de standpunten van appellant niet kunnen worden gevolgd, nu hij ze niet heeft onderbouwd met een medische verklaring. De stelling van appellant dat zijn standpunten worden ondersteund door het feit dat hij is goedgekeurd voor militaire dienst, volgt de Raad evenals de rechtbank niet. Ook de verklaring van de groepsleider van het internaat over het gedrag van appellant legt tegenover het psychiatrisch onderzoek onvoldoende gewicht in de schaal.

7. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

8. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

RB