Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0112

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-06-2011
Datum publicatie
06-07-2011
Zaaknummer
11-2466 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Met het dagelijks bestuur en de rechtbank acht de voorzieningenrechter het vastgestelde plichtsverzuim dermate ernstig, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is. Het dagelijks bestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen zwaarder gewicht mogen toekennen aan het belang van integriteit en betrouwbaarheid van zijn medewerkers dan aan het persoonlijk belang van verzoeker bij handhaving van zijn dienstverband. De persoonlijke omstandigheden waarop verzoeker zich heeft beroepen maken dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2466 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats], (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van

1 december 2010, 10/5358 en 10/5360 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het Dagelijks Bestuur van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam (hierna: dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 30 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2011. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. I. Rhodes, advocaat te Amsterdam. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zwagerman, werkzaam bij het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam (hierna: stadsdeel).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker was sinds 1987 werkzaam als [Naam functie] bij het stadsdeel.

Op 7 januari 2010 heeft een bewoonster van het stadsdeel (hierna: klaagster) zich telefonisch beklaagd over het gedrag van verzoeker bij de inzameling van grofvuil. Naar aanleiding van deze klacht heeft het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld. Na aanvankelijke ontkenningen zijnerzijds heeft verzoeker tijdens het verantwoordingsgesprek op 16 februari 2010 en in een verklaring van 12 maart 2010 toegegeven dat hij op 6 januari 2010 van klaagster een bedrag van € 55,- heeft aangenomen zonder kwitantie en dat geld niet heeft afgedragen.

1.2. Bij besluit van 24 maart 2010 is aan verzoeker met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 29 september 2010 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: rechtbank) het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij komt in een geval als dit mede de vraag in beeld of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

3.2. Gelet op de (financiële) situatie van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang.

3.3. Wat betreft de (on)houdbaarheid van de aangevallen uitspraak heeft verzoeker naar voren gebracht dat het hem verweten plichtsverzuim door het dagelijks bestuur ten onrechte als verduistering is aangemerkt. Hij zou niet de opzet hebben gehad zich het bedrag van € 55,- toe te eigenen. Nu er slechts sprake was van nalatigheid, kan weliswaar worden gesproken van een ernstig vergrijp, maar de sanctie van strafontslag is te zwaar. Ook het feit dat hij aanvankelijk - uit vrees voor verlies van zijn baan - ontkend heeft, kan hem niet zo zwaar worden aangerekend dat strafontslag gerechtvaardigd is. Ook vanwege zijn persoonlijke omstandigheden is strafontslag onevenredig. De rechtbank heeft zijn beroep dan ook ten onrechte ongegrond verklaard, aldus verzoeker.

3.4. De voorzieningenrechter overweegt dat de vraag of in strafrechtelijke zin sprake is geweest van het delict verduistering, in de onderhavige tuchtrechtelijke procedure niet beslissend is. Naar vaste rechtspraak (CRvB 14 oktober 1999, LJN AA4696 en TAR 1999, 155) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde zeer strikte bewijsregels. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

3.5. Het plichtsverzuim dat aan verzoeker is verweten komt er op neer dat verzoeker in strijd met de geldende procedure contant een bedrag van € 55,- in ontvangst heeft genomen, zonder daarvoor een bon of ontvangstbewijs af te geven, dat hij dit bedrag vervolgens niet heeft afgedragen maar het in eigen zak heeft gestoken, en dat hij over de gang van zaken in eerste instantie geen opening van zaken heeft gegeven. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit plichtsverzuim niet wordt ontkend door verzoeker.

3.6. Wat betreft de stelling van verzoeker dat hem slechts nalatigheid kan worden verweten en dat hij niet de opzet heeft gehad zich het bedrag toe te eigenen, merkt de voorzieningenrechter op, dat deze lezing van verzoeker niet strookt met het gegeven dat verzoeker nadat hij met de verklaring van klaagster was geconfronteerd, tijdens gesprekken op 26 januari en op 16 februari 2010, heeft ontkend dat hij contant geld heeft aangenomen, maar wisselende en aantoonbaar onjuiste verklaringen heeft afgelegd over het gebruik van een pinapparaat. Als het al waar zou zijn, dat verzoeker op 6 januari 2010 (nog) niet de opzet heeft gehad zich het bedrag toe te eigenen, dan moet in ieder geval worden vastgesteld, dat zijn latere ontkenningen - ook al waren deze door vrees ingegeven - wel van een dergelijke opzet blijk geven. Hieraan doet niet af dat verzoeker uiteindelijk op 16 februari 2010 - kennelijk nadat hem duidelijk was geworden dat zijn ontkenningen onhoudbaar waren - alsnog heeft toegegeven dat hij contant geld had aangenomen.

3.7. Met het dagelijks bestuur en de rechtbank acht de voorzieningenrechter het vastgestelde plichtsverzuim dermate ernstig, dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig is. Het dagelijks bestuur heeft bij afweging van de betrokken belangen zwaarder gewicht mogen toekennen aan het belang van integriteit en betrouwbaarheid van zijn medewerkers dan aan het persoonlijk belang van verzoeker bij handhaving van zijn dienstverband. De persoonlijke omstandigheden waarop verzoeker zich heeft beroepen maken dit niet anders.

4. Gezien het voorgaande kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geconcludeerd dat het in redelijke mate waarschijnlijk is dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Dit betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet worden afgewezen.

5. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2011.

(get.) K.J. Kraan.

(get.) N.M. van Gorkum.

RB