Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR0003

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
09-352 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand omdat appellantes woon- en leefsituatie heeft uitgewezen dat zij niet feitelijk duurzaam woont/verblijft op het door haar opgegeven adres. Redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek. Geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, EVRM. Geen “informed consent”. Indien appellante naar behoren zou zijn geïnformeerd en vervolgens zou hebben geweigerd aan het huisbezoek mee te werken, die weigering zou hebben meegebracht dat haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, hetgeen - gegeven de aanwezigheid van een redelijke grond - evenzeer een grond vormt voor intrekking van de bijstand. De Raad ziet dus, anders dan appellante, niet in dat de bevindingen gedaan tijdens het huisbezoek voor de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing dienen te blijven. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/352 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 december 2008, 08/581 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 juni 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kreutzkamp. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 30 maart 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand

(WWB) naar de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar zonder ten laste komende kinderen.

1.1.1. Op 20 september 2007 heeft [naam huurbaar], huurbaas van appellante, aan appellantes casemanager bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen telefonisch gemeld dat appellante niet op het door haar opgegeven woonadres verblijft, dat zij enkel langskomt voor het ophalen van haar post en dat hij het vermoeden heeft dat appellante elders samenwoont met haar vriend bij diens ouders. De melding is aanleiding geweest voor een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand.

1.1.2. Uit het onderzoek van de sociale recherche, zoals neergelegd in een op 20 november 2007 gedateerd rapport, is het volgende gebleken. Appellante heeft in een gesprek met een fraudepreventiemedewerker op 1 november 2007, om 10.57 uur, over haar woon- en leefsituatie verklaard dat zij in juni/juli is verhuisd van een kamer op de bovenverdieping van een pand gelegen aan de [adres 1] te [gemeente] naar een kamer beneden, dat haar kleding, administratie en verzorgingsspullen verpakt in dozen in haar kamer staan en dat zij zo nodig spullen uit de dozen haalt en er weer in doet. Daarop is besloten om op dezelfde dag, om 13.15 uur, een huisbezoek af te leggen op het opgegeven adres. Appellante gaf aan de fraudepreventiemedewerker en haar casemanager toestemming voor het binnentreden van de woning en haar kamer. Tijdens dit huisbezoek heeft appellante, na geconfronteerd te zijn met het vermoeden dat zij niet woonachtig zou zijn op haar kamer, verklaard dat zij er inderdaad niet woonde, dat zij vanaf 19 september 2006 bij haar vriend en zijn ouders woonde en dat zij er alleen naartoe ging om haar post op te halen. Appellante heeft na het huisbezoek voorts, omstreeks 14.40 uur, ten overstaan van een sociaal-rechercheur in dienst van de gemeente Sittard-Geleen verklaard terug te komen op haar eerdere mondeling afgelegde verklaring dat zij sinds 19 september 2006 niet meer woonachtig is op het opgegeven adres. Appellante verklaarde dat zij inmiddels haar huisbaas heeft gesproken, dat deze haar heeft verteld dat hij geen melding aan de uitkeringsinstantie heeft gedaan, en dat zij niet gelooft dat kan worden bewezen dat zij aldaar niet woont. Op 2 en 5 november 2007 heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden en zijn meerdere kamerbewoners op het adres [adres 1] te [gemeente] als getuigen gehoord. Hieruit is gebleken dat appellante door de getuigen sporadisch op dat adres wordt gezien en dat dit meestal is omdat zij haar post komt ophalen.

1.2. Bij besluit van 3 december 2007 heeft het College de bijstand van appellante vanaf 19 september 2006 ingetrokken en de over de periode van 19 september 2006 tot en met 30 september 2007 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 6.315,29 bruto. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat het onderzoek naar appellantes woon- en leefsituatie heeft uitgewezen dat zij niet feitelijk duurzaam woont/verblijft op het door haar opgegeven adres [adres 1] te [gemeente].

1.3. Bij besluit van 18 maart 2008 heeft het College het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 3 december 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting onvoldoende inlichtingen heeft verschaft over haar woon- en leefsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 18 maart 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van de bijstand van appellante met ingang van 19 september 2006 niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. De beoordeling door de bestuursrechter bestrijkt in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat ten aanzien van de intrekking beoordeeld dient te worden de periode van 19 september 2006 tot en met 3 december 2007.

4.2. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 4 augustus 2009, LJN BJ5146) vormt het samenstel van de artikelen 17, eerste en tweede lid, en 53a, tweede lid, van de WWB voor het College een toereikende wettelijke grondslag voor het huisbezoek als middel ter controle en verificatie van door belanghebbende verstrekte of anderszins bekend geworden gegevens.

4.3. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.

4.4. De Raad is met de rechtbank en anders dan appellante van oordeel dat in dit geval een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek op 1 november 2007 aanwezig was. Daarbij acht de Raad met name van belang de niet aannemelijke schets die appellante op 1 november 2007 voorafgaande aan het huisbezoek heeft gegeven van haar woonsituatie, onder meer inhoudende dat zij sinds haar verhuizing in juni/juli 2007 haar spullen op haar kamer in dozen heeft zitten en deze zo nodig telkens in- en uitpakt. Het vorenstaande vormde in combinatie met de op 20 september 2007 binnengekomen melding dat appellante niet zou wonen op het door haar opgegeven woonadres en aldaar alleen haar post ophaalt, voldoende reden voor het College om te twijfelen aan de juistheid van de opgave van appellante dat zij op het adres [adres 1] te [gemeente] woonde. De Raad merkt daarbij op dat op grond van de stukken aannemelijk wordt geacht dat op 20 september 2007 een melding is binnengekomen bij de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Sittard-Geleen. Voor het antwoord op de vraag of er een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek was, is niet van belang wie deze melding heeft gedaan.

4.5. In geschil is voorts dat appellantes toestemming voor het binnentreden van haar woning op 1 november 2007 is verleend op basis van “informed consent”.

4.6. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie onder meer de uitspraak van 24 november 2009, LJN BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de (verdere) verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond, dan moet de belanghebbende erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen (directe) gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 11 april 2007, LJN BA2410) is, bij de beoordeling of een inbreuk op het huisrecht heeft plaatsgevonden, niet van belang of het huisbezoek van tevoren al dan niet is aangekondigd.

4.7. De Raad moet echter met appellante vaststellen dat niet was voldaan aan de eis van “informed consent”. Uit de gedingstukken blijkt dat appellante desgevraagd op 1 november 2007 weliswaar toestemming heeft verleend voor het binnentreden van haar woning, maar niet dat aan haar is meegedeeld dat zij daartoe niet kon worden gedwongen en evenmin dat haar duidelijk is gemaakt dat het niet geven van toestemming gevolgen zou hebben voor de verlening van bijstand. Dat betekent dat ten aanzien van appellante sprake was van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Naar het oordeel van de Raad kan echter niet worden gezegd dat het gebruik maken door het College van hetgeen tijdens het huisbezoek is verklaard of waargenomen zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat, indien appellante naar behoren zou zijn geïnformeerd en vervolgens zou hebben geweigerd aan het huisbezoek mee te werken, die weigering zou hebben meegebracht dat haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, hetgeen - gegeven de aanwezigheid van een redelijke grond - evenzeer een grond vormt voor intrekking van de bijstand. De Raad ziet dus, anders dan appellante, niet in dat de bevindingen gedaan tijdens het huisbezoek voor de beoordeling van het recht op bijstand buiten beschouwing dienen te blijven.

4.8. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.9. De Raad is met het College en de rechtbank van oordeel dat appellante de wettelijke inlichtingenverplichting ten aanzien van haar woonadres heeft geschonden. Met de onder 1.1.2 vastgestelde feiten heeft het College aannemelijk gemaakt dat appellante niet woonde op het opgegeven adres. De Raad ziet geen redenen om appellante niet te houden aan haar verklaring afgelegd tijdens het huisbezoek op 1 november 2007 en ziet daarvoor met name steun in de getuigenverklaring van 2 november 2007 van [naam huisgenoot], huisgenoot en naaste kamerbewoner van appellante op het opgegeven adres.

4.10. Uit hetgeen hiervoor onder 4.9 is overwogen vloeit voort dat het College bevoegd was de bijstand van appellante over de periode van 19 september 2006 tot en met 3 december 2007 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. Appellante heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de wijze waarop het College van de bevoegdheid tot intrekking van de bijstand gebruik heeft gemaakt. Evenmin heeft appellante zelfstandige beroepsgronden aangevoerd over de bevoegdheid van het College om de gemaakte kosten van bijstand over de periode van

19 september 2006 tot en met 30 september 2007 van haar terug te vorderen en de wijze waarop het College van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

4.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en E.J.M. Heijs en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 juni 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.L.G. Boot.

HD